Tax alert

De Rulingscommissie spreekt zich uit over het fiscale regime inzake Belgische schenkings- en successierechten met betrekking tot uitkeringen verricht door een private stichting

  • Share

De Dienst Voorafgaande Beslissingen van de Belgische fiscale administratie (de Rulingscommissie) heeft recent een aantal interessante beslissingen bekendgemaakt waarin wordt bevestigd dat uitkeringen uit een private stichting kunnen ontsnappen aan de Belgische schenkings- en successierechten. Deze positieve trend opent wellicht ook perspectieven voor buitenlandse structuren.

I. Onbelastbaarheid in de Belgische schenkings- en successierechten van uitkeringen verricht door een Belgische private stichting

a. Artikel 8 van het Belgische Wetboek der Successierechten (W.Succ.)
Sinds een paar jaren neemt de fiscale administratie het standpunt in dat uitkeringen uit een trust opgericht door Belgische Rijksinwoners belast moeten worden in de Belgische successierechten, op basis van artikel 8 W. Succ. Tot voor kort bleef de vraag of de fiscale administratie dit standpunt ook zou kunnen toepassen op uitkeringen ontvangen uit een private stichting.
Artikel 8 W. Succ. bepaalt immers dat geacht worden als belastbaar legaat te zijn verkregen de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen bij het overlijden van een Belgische Rijksinwoner, na het overlijden of binnen de drie jaar vóór het overlijden, ingevolge “[…] een contract bevattende een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding”.

b. Standpunt van de Rulingscommissie
In twee recent gepubliceerde beslissingen heeft de Rulingscommissie zich uitgesproken over het fiscale regime van uitkeringen verricht door een Belgische private stichting ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel.

Volgens de Rulingscommissie kunnen de uitkeringen verricht door de stichting in uitvoering van haar doel in principe geen aanleiding geven tot de heffing van Belgische successierechten. Bepalend in de analyse van de Rulingscommissie is dat de uitkeringen die een Belgische private stichting verricht ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel het gevolg zijn van een eenzijdige beslissing van het bestuur van de stichting maar niet van een contract omvattend een beding ten behoeve van een derde, zodat artikel 8 W. Succ. geen toepassing kan vinden.

De Rulingscommissie bevestigt verder dat geen schenkingsrechten verschuldigd kunnen zijn op de uitkeringen verricht door de stichting. Indien de stichting handelt in het kader van haar doel, kan er immers geen sprake zijn van een schenking, bij gebrek aan begiftigingsoogmerk in hoofde van de bestuurders van de stichting die zich eenvoudigweg beperken tot de uitvoering van de statutaire opdracht gegeven aan de stichting. Het neemt uiteraard niet weg dat Belgische schenkings- of successierechten nog steeds verschuldigd kunnen zijn naar aanleiding van de overdracht van vermogensbestanddelen aan de stichting. In de drie gewesten worden immers schenkingsrechten geheven op alle goederen en waarden ingebracht in een Belgische private stichting naar aanleiding van haar oprichting, tegen het vast tarief van 7% (in het Waals gewest is de toepassing van het gunstig tarief van 7% wel onderworpen aan strenge voorwaarden).
De oprichting van een Belgische private stichting dient te gebeuren ten overstaan van een Belgische notaris, wiens akte onvermijdelijk aangeboden moet worden ter registratie bij de fiscale administratie, waardoor de heffing van schenkingsrechten op de goederen overgedragen aan de stichting naar aanleiding van haar oprichting niet vermeden kan worden.

De Rulingscommissie erkent daarentegen dat latere overdrachten van vermogensbestanddelen anders dan Belgische onroerende goederen kunnen plaatsvinden zonder heffing van registratierechten, voor zover de latere inbreng niet wordt vastgesteld in een Belgische notariële akte en de documenten die de inbreng vaststellen (zoals bijvoorbeeld een buitenlandse notariële akte) niet in België worden aangeboden ter registratie. Bij gebrek aan registratie van de inbreng met betaling van Belgische schenkingsrechten voorafgaand aan het overlijden van de inbrenger, kunnen successierechten weliswaar verschuldigd zijn indien de inbrenger overlijdt binnen de zogenaamde “verdachte periode” van drie jaar na de inbreng. In het Vlaams gewest wordt de verdachte periode verlengd tot zeven jaar voor sommige goederen zoals aandelen die in aanmerking komen voor de toepassing van de Vlaamse gunstregeling voor de overdracht van een familiale vennootschap.

II. Een positieve trend die mogelijkerwijs ook van toepassing is op buitenlandse structuren

Het nieuwe standpunt van de Rulingscommissie inzake de Belgische private stichting zou mogelijkerwijs ook toepassing kunnen vinden op bepaalde gelijkaardige buitenlandse rechtsfiguren zoals de Stichting Particulier Fonds (SPF) van de Nederlandse Antillen. Indien de daartoe bevoegde organen binnen een Antilliaanse SPF volledig autonoom uitkeringen verrichten ten gunste van de begunstigden in uitvoering van het maatschappelijke doel van de SPF maar niet ingevolge een contract omvattend een beding ten behoeve van een derde zou artikel 8 W. Succ. ook geen toepassing mogen vinden. Er is immers geen reden om artikel 8 W. Succ. anders toe te passen op buitenlandse structuren zoals de Antilliaanse SPF.

III. Anti-misbruikbepaling

Het hoeft geen betoog dat uitkeringen uit een Belgische of buitenlandse private stichting toch wel belast zouden kunnen worden in de Belgische successierechten en dit op basis van de Belgische anti-misbruikbepaling, indien de stichting enkel en alleen wordt opgezet voor fiscale doeleinden. Enkel indien de private stichting een niet zuiver fiscaal doel nastreeft zal de toepassing van artikel 8 W. Succ. in principe uitgesloten zijn.

Wij vestigen uw aandacht op het feit dat het nieuwe standpunt van de Rulingscommissie inzake de fiscale behandeling van uitkeringen verricht door een private stichting niet automatisch wordt toegepast binnen de fiscale administratie. Het bekomen van een positieve beslissing van de Rulingscommissie voorafgaand aan het opzetten van dergelijke structuur blijft bijgevolg sterk aangeraden.