Impulse - Corporate Magazine EY Belgium

Pendelen tussen theorie en praktijk

Herman Daems: ondernemende prof

  • Share

Met zijn combinatie van universiteit en bedrijfsleven pendelt de witte raaf tussen twee werelden. Aan de ene kant positioneert hij zich graag als academicus – maar publiceert hij te weinig, zo zegt hij zelf. Terwijl hij zich aan de andere kant met evenzoveel plezier vastbijt in praktijkdossiers – hij wil niet in één kamp zitten. De professor emeritus Herman Daems zoekt het eeuwige evenwicht. “Dat is de rol van een prof, toch?”

Herman Daems verdiept zich al ruim 30 jaar in de strategie en de organisatie van corporate ondernemingen. Een onvervulbare taak zonder inzicht in de historische dimensie, de link tussen onderneming en geschiedenis. Die les peperde prof. Herman Van der Wee de jonge Daems al in, lang voor die zelf zijn wijsheid mocht doceren aan de overvolle auditoria van de KU Leuven. Hij wees de economiestudent erop dat je naast de theorie altijd oog moet hebben voor de werkelijkheid. “Binnen mijn vakgebied, strategisch management, moet je instrumenten aanreiken om het groeipad van de onderneming uit te stippelen. Zonder inzicht in de economische geschiedenis reduceer je je grensverleggend vermogen tot kolommen cijfertjes, terwijl een bedrijf zoveel meer is dan een geheel van optelsommen en vergelijkingen.” Van Alfred D. Chandler Jr. – een wijs man uit zijn academische tussenstop op Harvard Business School waarnaar de emeritus graag verwijst – leerde hij om steeds opnieuw de vraag te stellen ‘waarom’ iets is gebeurd, ‘hoe’ dingen ontstaan. “Zijn boeken als The Visible Hand en Scale and Scope had ik zelf willen schrijven. Vandaag hebben we nood aan een globale geschiedenis over de voorbije 50 jaar van het Europese en Amerikaanse bedrijfsleven.” Zo’n omvattende geschiedenis zal Herman Daems niet zelf meer pennen. “Het probleem is dat je daar tien jaar voor nodig hebt.”

Zijn positieve inborst siert de goedlachse man die zich zelfs bij de meest netelige vragen als een genuanceerd bemiddelaar profileert. Zijn wereldbeeld is niet zwartwit. “Het is mijn rol als voorzitter van een raad van bestuur – n.v.d.r. vandaag van de KU Leuven, BNP Paribas Fortis, Barco, Lannoo en Domo Investment Group – om collectieve besluitvorming mogelijk te maken. Iedereen krijgt de kans om zijn standpunt toe te lichten.” Hoe schat hij de toekomst van ons bedrijfsleven in? “Beter dan algemeen wordt aangenomen. In ons land doet een aantal zowel familiale als Bel20-bedrijven het bijzonder goed. Omdat ze zich internationaal oriënteren, omdat ze zich specialiseren in een nichemarkt, omdat ze zich innovatief positioneren en omdat ze zich heel efficiënt organiseren.” Onze economische omgeving daarentegen scoort minder goed onder meer vanwege de fundamentele loonkostenhandicap en hoge fiscale druk. Met alle gevolgen van dien voor onze aantrekkelijkheid bij buitenlandse investeerders die, zoals ook blijkt uit de recente Barometer van de Belgische Attractiviteit van Ernst & Young, langzaam maar zeker erodeert. “Toch blijft België aantrekkelijk, vooral dankzij zijn logistieke troeven of zijn technologische innovatiecapaciteit. Dat laatste genereert een nieuwe vorm van investeren: buitenlandse bedrijven die Belgische technologiebedrijven overnemen. Denk maar aan het Duitse Siemens dat het Leuvense LMS International kocht. De tijd dat buitenlandse investeerders in België een fabriek kwamen neerpoten, is voorbij.” De Belgische hoge koopkracht speelt minder een rol als troef dan wel de concentratie van koopkracht binnen de regio in een straal van pakweg 300 km rond Brussel. “Men komt niet naar België maar naar een van de koopkrachtigste regio’s ter wereld waarvan ons land het knooppunt vormt. Let op de nuance.”

De-industrialisatie vraagt overbrugging

Na zijn emeritaat in 2011 en het gelijktijdige einde van zijn voorzitterschapsmandaat bij Gimv, viel Herman Daems allerminst in een zwart gat. Ook vandaag wordt nog vaak een beroep gedaan op de professor. Recent nog om de expertengroep te leiden die in opdracht van Vlaams minister-president Kris Peeters de toekomstvisie voor Limburg na de sluiting van Ford Genk uittekende. Door de debacles bij de autoconstructeur, en ook bij Arcelor-Mittal en Caterpillar, gingen op enkele weken tijd duizenden jobs verloren in onze nijverheid. Men kan zich de vraag stellen of er überhaupt nog plaats is voor een maakindustrie in dit land. “Er zal altijd behoefte zijn aan een maakindustrie gericht op de lokale vraag omdat importeren te duur is. Beton, om maar een voorbeeld te noemen. Wel verschuiven we van een klassieke assemblageindustrie naar een hoogtechnologische en kennisgedreven maakindustrie. Daarom het pleidooi van onze Taskforce voor Limburg om een Strategisch OnderzoeksCentrum (SOC) te behouden, genre iMinds, Imec of VIB, dat nieuwe ontwikkelingen binnen de maakindustrie bestudeert. Kennis wordt een essentiële hefboom voor onze industriële ontwikkeling. Bewijs: de honderden spin-offs die de voorbije jaren uit de schoot van de universiteiten zijn ontsproten.”

De ontwikkeling van die nieuwe dynamiek vergt tijd en zal gedragen worden door mensen die vandaag nog op de schoolbanken zitten, dixit de topman van Unizo, Karel Van Eetvelt. In tussentijd wordt onze actieve bevolking verder uitgedund. “Vandaar de nood aan een overbrugging door bijvoorbeeld bestaande, arbeidsintensieve sectoren, zoals de vrijetijdseconomie of de zorg – ondanks hun relatief lage toegevoegde waarde – te versterken. Een economisch model dat louter stoelt op technologie is voor België niet alleenzaligmakend.”

Meer productieve jobs

Meer nog dan de industriële erosie en het banenverlies, baart onze productiviteitsevolutie Herman Daems zorgen. Tot in 2008 groeide de productiviteit in België jaarlijks met zo’n 4%. Sinds vijf jaar stagneert ze onder meer omdat ondanks de krimpende economische activiteit de werkgevers hun personeelsbestand op peil probeerden te houden. “Een constante actieve bevolkingsgraad met een stagnerende productiviteit in combinatie met een groeiende bevolking leidt tot een neerwaartse druk op het inkomen per hoofd. Anders gezegd: een daling van de welvaart. Dus is het belangrijk niet zomaar jobs te creëren, maar productieve jobs.”

Die economische transformatie kan volgens Daems enkel gebeuren door ondernemers. Niet door de overheid. Zij moet het ondernemerschap aanmoedigen. Lijdt ons land dan aan wat Frank Coenen, CEO van Tessenderlo Group noemt ‘een tekort aan vechtersmentaliteit en competitiedrang’? En drijft de overreglementering ons niet tot een soort immobilisme? “Ik zie een merkwaardige paradox: aan de ene kant vlakt onze maatschappij af, terwijl we anderzijds nooit zoveel rankinglijstjes maken als nu. We leven dan misschien wel meer dan vroeger in een cocon, onze maatschappij heeft ook nood aan opvangsystemen. De grote uitdaging is het vinden van een juist evenwicht tussen prestatiedruk en menselijkheid.”

En de toevloed aan regels is daarbij een noodzakelijk kwaad. “Ik maak me weinig illusies: deze maatschappij wil gewoon meer gereglementeerd leven – waarom schreeuwt men anders moord en brand vanwege een paar gram paardenvlees in een verkeerde verpakking? Ondernemers die blijven hopen op minder regels, doen aan wishful thinking.”

Bovendien moeten we beseffen dat het beleid, onder druk van de globalisering, niet langer dezelfde beslissingsmacht heeft als vroeger. Beleid noch ondernemingen zijn zich bijvoorbeeld echt bewust van wat de impact is op onze economie van het verlies van de controle op de wisselkoers. “Voor de invoering van de euro kon men de loonkostencompetitiviteit opvangen met de schommelingen van de Belgische frank. Door die wisselkoers op te geven, gaf de overheid haar monetaire en begrotingsbeleid uit handen. De macht van de overheid is fundamenteel veranderd – lees gekrompen – en verschuift voor een belangrijk deel naar Europa. Idem dito voor het bancaire beleid. We kunnen dus bijgevolg ook minder appel doen op de lokale overheden om met oplossingen te komen.”

Zoeken naar extra’s

Jaarlijks co-organiseert Ernst & Young de meest begeerde business-bekroning van ons land: Onderneming van het Jaar®. Verwondert het nog dat Herman Daems al jaren zetelt in de jury, die uit het kruim van de Belgische ondernemingen de winnaar selecteert? “Het valt op dat de winnaars letterlijk over de grenzen kijken, maar sterker nog, een traditioneel product ‘heruitvinden’. Neem de winnaar van 2012, La Lorraine Bakery Group dat met een eenvoudig product als brood aan slimme innovatie doet.”

Met andere woorden: willen bedrijven overleven, dan kan dat niet zonder optimale processen gecombineerd met een gefocuste strategie. Kortom, ondernemingen moeten ‘mean’ en ‘lean’ zijn. Echter, willen ze bij de winnaars blijven behoren, dan moeten ze ook ‘clean’ zijn en duurzaamheid in het DNA van de onderneming verankeren (lees het artikel op p. 28) “Inderdaad, het leven stopt niet bij ‘lean’ en ‘mean’. Ondernemers moeten op zoek naar extra’s. Zo streven wij er bij de bank naar om behalve onze kostenpositie te verbeteren, activiteiten te vinden die onze ‘top line’ kunnen verbeteren. Zo organiseren we nu vanuit België de volledige exportfinanciering voor ondernemingen uit heel Europa. De grote uitdaging bestaat er dus in om nieuwe business te vinden die voldoende aansluit bij de bestaande cultuur en know-how zonder een nieuwe wereld te moeten uitvinden. Umicore is daar in België een uniek, optimistisch toonbeeld van. Bedrijven moeten niet streven naar winstmaximalisatie op korte termijn, maar proberen continu de waarde van de onderneming te vergroten. Door bijvoorbeeld te investeren in mensen, markten of middelen die pas op lange termijn vruchten zullen afwerpen.” Zo plooit de banksector zich meer terug op zijn traditionele rol als kredietverlener aan bedrijven en probeert hij de risico’s beter te controleren. Daarmee wil Herman Daems niet gezegd hebben dat we terug moeten, laat staan kunnen, naar louter eenvoudige banken. “Onmogelijk. Ondernemingen die internationaal actief zijn in complexe markten, vergen gesofisticeerde, grensoverschrijdende financieringsoplossingen. Internationaal zakendoen is niet meer zo eenvoudig als vroeger toen een hypothecaire lening volstond om de aankoop van een vrachtwagenvloot te financieren.”

Tegelijk beweren ondernemers dat ze almaar moeilijker krediet krijgen en dat er in ons land een ‘credit crunch’ heerst. Vreemd, want volgens de statistieken gaat de kredietverlening in België er nauwelijks op achteruit. Wel waar is dat de banken in deze onzekere tijden de risico’s analyseren met een loep en hun eisen en waarborgen verstrengen. “Van alle aangevraagde kredieten blijft het aantal weigeringen nu reeds een lange periode stabiel. Heb je het over een tekort aan risicokapitaal, dan krijg je een ander verhaal. Banken kunnen moeilijker dan vroeger risicokapitaal verschaffen, of investeren zonder waarborgen. Onder meer onder druk van de strengere regelgeving (Basel III) dat risicogedrag moet indijken.”