Onze geschiedenis

  • Share

De beginjaren van EY 
Tot 1999 maakte de naam Moret nog prominent deel uit van de naam van de Nederlandse organisatie van één van de grootste accountantskantoren ter wereld. Door verdergaande internationalisatie en standaardisering is wereldwijd in alle landen de naam teruggebracht tot EY. Daarmee is na een eeuw afscheid genomen van een markante naam in de Nederlandse geschiedenis van accountancy.

De naam Moret is vanaf het prille begin verbonden aan de ontwikkeling van de accountancy in ons land. Docent boekhouden Barend Moret (1851-1915) was in 1883 een van de vijf oprichters van het eerste accountantskantoor in Nederland: het Bureel van Boekhouding (later met de toevoeging Confidentia). Daarmee werd een nieuw beroep in ons land geïntroduceerd, dat de vijf partners aanvankelijk in deeltijd uitoefenden. Ten opzichte van de boekhouders die in dienst waren van bedrijven en instellingen, onderscheidden deze accountants zich door hun onafhankelijke positie. Zo werd een meer objectief toezicht op de financiële huishouding mogelijk. De volgende stap in de ontwikkeling van de prille beroepsgroep vormde de oprichting van het Nederlandsch Instituut voor Accountants (NIvA), de voorloper van het huidig Koninklijk NIVRA. Pas in 1967 werd accountant overigens een beschermde titel.

De eerste zelfstandige vermelding van de naam Moret stamt uit 1900 in de vorm van een kasboek dat de naam 'B. & J. Moret' draagt. Barends zoon Jacobus was sinds 1889 bij Confidentia verbonden en beiden zijn de grondleggers van de firma Moret, waarschijnlijk naast Confidentia. De band met de familie Moret bleef overigens niet beperkt tot vader en zoon: in totaal zijn acht leden en vier generaties van de familie partner geweest. Tot 1970 bestond dan ook in het maatschapscontract van het toenmalige Moret, EY een bepaling die zonen van partners het recht gaf om als assistent tot de firma toe te treden.

Eerste Wereldoorlog 
Tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen de wegen van Barend Moret's zonen Jacobus en Johan uiteen en ontstond na toetreding van andere partners in Rotterdam Moret & Starke en in Den Haag Moret & De Jong. Ook zagen in deze periode twee nieuwe beroepsgroepen het licht, die mede de geschiedenis van het huidige EY zouden schrijven. In 1917 verliet de eerste belastinginspecteur de rijksdienst om zich zelfstandig als belastingadviseur te vestigen. Ook bij Moret kwam al snel een afdeling van belastingadviseurs. In 1953 ontstond naast de accountantsmaatschap een zelfstandige maatschap voor belastingadviseurs. Gelijktijdig met de komst van de fiscalisten werd het beroep organisatieadviseur geïntroduceerd. De consultants moesten langer wachten op een eigen maatschap: in 1989 gingen zij als derde maatschap van Moret EY van start.

Fusiegolf
Na vele fusies op lokaal niveau kwam in de jaren zestig een landelijke fusiegolf op gang, met name door de in werking treding van de douane-unie binnen de Europese Gemeenschap. De beide Moret-kantoren herenigden zich in 1964, na een gescheiden bestaan van bijna zestig jaar. In datzelfde jaar trad Jonkers & De Jong toe, waarmee Moret, De Jong & Starke ontstond. Een soortgelijke grote fusie kwam in 1965 tot stand door de fusie waaruit Limperg, Dijker, Nijst & Co. ontstond. De klap op de vuurpijl was het samengaan van beide accountantskantoren tot Moret & Limperg in 1970. Tegelijk met de fusie van de accountantsmaatschappen in 1970 werd het fusiecontract tussen de belastingmaatschappen gesloten met als naam Moret, Gudde, Brinkman & Co.

Moret & Limperg 
Een belangrijk argument bij de fusie tussen Moret en Limperg vormde de doelstelling om de dienstverlening in het buitenland te kunnen versterken. De internationalisatie bij de accountantskantoren werd ingegeven door de wens de cliënt in andere landen hetzelfde te kunnen bieden als men in eigen land gewend was. De Amerikaanse accountants namen op dit punt het voortouw en openden buiten de Verenigde Staten eigen kantoren. De fusie van Moret en Limperg zou het draagvlak verbreden om daar met dezelfde strategie op te antwoorden. In snel tempo vestigde Moret & Limperg dan ook kantoren in o.a. Milaan, Madrid, Londen en New York.

'Big Eight' 
Eind jaren zeventig kwam men niettemin tot de conclusie dat de buitenlandstrategie onvoldoende soelaas bood. Samenwerking met een van de 'Big Eight' leek onontkoombaar. Vier van de acht wereldwijd grootste kantoren, waaronder Price Waterhouse en Arthur Andersen, waren dermate centralistisch van opzet dat Moret samenwerking met behoud van de eigen identiteit niet mogelijk achtte. Daarom viel het oog op het Amerikaanse Arthur Young en de Engels-Amerikaanse combinatie Ernst & Whinney.

In 1979 leidde de wederzijdse verkenning tussen Moret en Arthur Young tot resultaat. In Europa ontstond een federatie - Arthur Young, Moret, Schitag, Atag - waarbij de Europese vestigingen van Arthur Young zich aansloten bij de nationale firma's. Daarnaast werden de nationale firma's lid van Arthur Young International. In 1980 volgde de definitieve goedkeuring door de gecombineerde maatschapsvergadering van Moret & Limperg.

Nationale fusies 
In de periode 1987-'89 vonden bij Moret drie fusies op nationale schaal plaats door de komst van Reyn de Blaey en Co., Brands & Wolff en Dechesne Ernst & Whinney. Maar deze jaren stonden vooral in het teken van internationale mega-fusies. De trend werd gezet door de fusieplannen van Price Waterhouse en Deloitte Haskins & Sells in 1984, een fusie die overigens net niet doorging. Na dat signaal kwamen gesprekken op gang tussen andere grote kantoren. In 1987 ontstond KPMG door het samengaan van KMG en PMM. In 1989 volgde de fusie van Arthur Young en Ernst & Whinney. Deloitte Haskins & Sells en Touche Ross slaagden er eveneens in tot een fusie te komen, maar tussen Price Waterhouse en Arthur Andersen lukte het niet. Daarna kwam de fusiegolf tot rust om een kleine tien jaar later weer aan te wakkeren met de komst van PriceWaterhouseCoopers in 1998 als gevolg. Een fusie tussen KPMG en EY werd in hetzelfde jaar afgeblazen, mede vanwege de bezwaren vanuit Brussel tegen een te grote concentratie die door deze fusie zou ontstaan. Op het internationale speelveld zijn het na het uiteenvallen van Arthur Andersen vooralsnog de 'Big Four' die de toon aangeven: EY, PriceWaterhouseCoopers, KPMG en Deloitte. Per i juli 2008 heeft EY de rechtsvorm van maatschappen omgezet in UK LLP's.

Lees hier de internationale geschiedenis van EY.