Europese hof doet uitspraak over Nederlandse exitheffing
Recentelijk heeft het Europese Hof van Justitie (EU-hof) uitspraak gedaan over de toepassing van een eindafrekenings- of exitheffing bij de zetelverplaatsing van een Nederlandse BV (National Grid Indus BV). Het EU-Hof besliste dat de Nederlandse exitheffing als zodanig is toegestaan, maar dat een onmiddellijke betaling van het bedrag van de heffing onevenredig is. De staatssecretaris van Financiën heeft actie ondernomen en een besluit uitgebracht, waarin hij vooruitlopend op wetgeving, de uitvoeringspraktijk in overeenstemming brengt met de beslissing van het EU-Hof.
Exitheffingen zijn belastingen die worden geheven wanneer een onderneming wordt verplaatst naar het buitenland. Nederland kent zowel in de inkomstenbelasting als in de vennootschapsbelasting een onmiddellijke exitheffing bij emigratie. Dergelijke exitheffingen zouden bedrijven ervan kunnen weerhouden hun recht op vrijheid van vestiging binnen de EU uit te oefenen.
Het EU-Hof stelde vast dat een lidstaat (in casu Nederland) niet hoeft af te zien van zijn recht om stille reserves (meerwaarden) te belasten die vóór de emigratie in betreffende staat zijn opgekomen. Het feit dat de belastingplichtige niet de keuze heeft tot uitstel van betaling leidt volgens het EU-hof wel tot onevenredigheid. Vaak hebben bedrijven namelijk onvoldoende liquide middelen om de belastingaanslag direct te voldoen. Volgens het Hof zou een regeling die een vennootschap de keuze biedt tussen enerzijds de onmiddellijke betaling van het bedrag van de heffing en anderzijds de uitgestelde betaling van het bedrag van de heffing wel een geschikte maatregel zijn.
De staatssecretaris heeft inmiddels actie ondernomen en op 14 december jl. een besluit uitgebracht. In het besluit staat dat de belastingschuldige de aanslag kan betalen binnen de betalingstermijn zoals vermeld op het aanslagbiljet, maar ook kan kiezen voor uitstel van betaling. Wel worden er zekerheden verlangd voor een uitstel van betaling (bijv. een bankgarantie).