Persbericht

31 aug. 2021 Amsterdam, NL

Kredietwaardigheid zorginstellingen blijft in eerste coronajaar op peil

EY Barometer Nederlandse Gezondheidszorg

Perscontact
Toby Ellson

EY Nederland Woordvoerder

  • Steunpakket overheid houdt zorgsector overeind.
  • Het rendement is in 2020 met circa 0,4%-punt gestegen naar 1,8%.
  • Het ziekteverzuim stijgt door corona, van 6,3% naar 6,9%. Het verloop onder zorgmedewerkers neemt af van bijna 16% naar ruim 13%.

Vandaag verschijnt de jaarlijkse EY Barometer Nederlandse Gezondheidszorg. Hierin wordt, op basis van de jaarverslagen van zorginstellingen met meer dan 5 miljoen euro omzet en die tot en met juli 2021 zijn gedeponeerd, een analyse gemaakt van de Nederlandse gezondheidszorg. De jaarrekening 2020 is de eerste waarin de impact van corona cijfermatig tot uitdrukking komt.

Enkele belangrijke bevindingen uit het onderzoek zijn:

  • De Nederlandse gezondheidszorg kende ook in 2020 een gemiddelde rating van bbb+ en kan daarmee blijven rekenen op de bereidheid van banken om te financieren;
  • Het rendement is in 2020 met circa 0,4%-punt gestegen naar 1,8%. Dit beeld is mogelijk vertekend aangezien de instellingen die een beroep doen op de hardheidsclausule hun cijfers nog moeten deponeren;
  • De steunmaatregelen van de overheid hebben hun werk gedaan. Er zijn echter significante verschillen in de financiële uitwerking van de steunmaatregelen tussen de diverse subsectoren;
  • Het ziekteverzuim stijgt door corona, van 6,3% naar 6,9%. Het verloop onder zorgmedewerkers neemt voor het eerst in jaren af van bijna 16% naar ruim 13%;
  • De kosten van personeel niet in loondienst (PNIL) dalen voor het eerst, van 7,4% naar 7%. Deze daling wordt deels vertekend door de zorgbonus.

Rating

Alle subsectoren binnen de zorg scoren gemiddeld minimaal ‘investment grade’. Volgens Ralph Poulssen, associate partner bij EY en een van de opstellers van de barometer, betekent dit niet dat elke individuele instelling hieraan voldoet en gemakkelijk geld kan aantrekken tegen acceptabele voorwaarden. ‘Inmiddels zijn er steeds meer instellingen met een officiële rating die profiteren van lagere tarieven en gunstigere voorwaarden! En dat is een groot goed als we naar de effecten van kapitaallasten kijken en de aankomende investeringsopgave in duurzaamheid en ICT.’

Verdeeld over de provincies scoren drie provincies (Friesland, Groningen en Overijssel) net als vorig jaar minimaal een rating a. Dit jaar sluiten zich hier vijf provincies bij aan: Drenthe, Flevoland, Limburg, Zuid-Holland en Noord-Holland. Hierdoor blijven er vier provincies over met een gemiddelde rating bbb voor hun zorginstellingen. Opvallend is dat dit allemaal centraal gelegen provincies zijn met de hoogste dichtheid van het aantal instellingen en waar de inzet van PNIL het hoogst is.

In de verdeling van de rating over de subsectoren is veel verschoven. In het rijtje met subsectoren die minimaal een rating a scoren, zijn twee nieuwkomers en vier afvallers genoteerd. Gehandicaptenzorg en ouderenzorg zijn nieuw. Revalidatiecentra, zelfstandige behandelcentra, jeugdzorg en regionale instellingen voor beschermd wonen (RIBW’s) doen een stapje terug. Een belangrijke oorzaak van deze wijzigingen is gelegen in de steunpakketten van de overheid.

De compensatieregeling voor Wlz-instellingen (waartoe gehandicaptenzorg en ouderenzorg behoren) heeft zijn werk gedaan: alle meerkosten en productieverliezen zijn adequaat gecompenseerd door de zorgkantoren. Dat is anders voor de kleinere ziekenhuizen, waartoe ook revalidatiecentra behoren. De variabiliteit van hun kostenstructuur is anders gebleken dan waar de compensatieregeling van uitging. De subsectoren jeugdzorg en RIBW hebben vooral last gehad van het ontbreken van een landelijke regeling. Zij waren afhankelijk van de bereidheid en de middelen van de individuele gemeenten. Veel van deze instellingen hebben zelf een deel van de kosten moeten nemen en dat komt de rating uiteindelijk niet ten goede.

De beste rating wordt behaald door de UMC’s, de gemiddelde rating is met aa+ gelijk gebleven aan de rating van vorig jaar.

Rendement

Na een afname van het rendement in 2019, is het rendement in 2020 gestegen. Dit wordt, volgens Rob Leensen, partner bij EY en ook betrokken bij de Barometer, veroorzaakt door de lagere kapitaallasten. ‘Het steunpakket van de overheid heeft ervoor gezorgd dat het rendement op peil is gebleven, de voortdurend dalende kapitaallasten zorgen dit jaar voor een toename van het rendement.’

De opbrengsten zijn in 2020 ruim 10% toegenomen. De toename van de personeelskosten ligt daarmee overigens in lijn. De toename van de opbrengsten is meer dan verdubbeld in vergelijking met de toename in 2019 (van 4,9%). Dit komt onder andere door de subsidie voor de zorgbonus, de compensatie voor de gemaakte meerkosten en de toegenomen kwaliteitsmiddelen.

In de barometer van vorig jaar werd geconcludeerd dat het rendement te laag was om de impact van corona op te vangen en uit de greep van de banken te blijven. ‘We riepen op om tot goede compensatieregelingen voor 2020 én 2021 te komen’, stellen Poulssen en Leensen. ‘En gelukkig zijn die er uiteindelijk gekomen. Daarbij is het natuurlijk nog even afwachten wat van deze rendementssprong overblijft als alle instellingen hebben gedeponeerd. Maar de eerste inzichten zijn wel dat de steunpakketten de Nederlandse gezondheidszorg overeind hebben gehouden.’

Ten aanzien van het totaalrendement zijn er opvallende verschillen tussen de subsectoren. Zo scoort de ouderenzorg met 2,5% rendement het hoogst en de RIBW’s behalen met -0,6% de laagste score. ‘Het is duidelijk dat de compensatieregelingen voor de verschillende sub sectoren anders uitpakken. Wat bij de ouderenzorg ook meespeelt is dat in 2020 alle extra personele inzet volledig is betaald, waar dat in het verleden niet het geval was. Dit komt omdat geen onderscheid gemaakt kon worden tussen extra personele inzet als gevolg van corona en extra personele inzet vanwege de kwaliteitsimpuls’, aldus Leensen.

Desondanks ziet het rendement over 2020 er voor de hele sector gezond uit. ‘Dit blijkt alleen niet of nauwelijks uit de ontwikkeling van de solvabiliteit’, stel Poulssen. ‘Een toenemend balanstotaal zorgt ervoor dat het rendement maar een beperkt positief effect heeft op de solvabiliteit. Vorderingen vanuit de compensatieregelingen, nog te betalen zorgbonus, oplopende verlofsaldi en uitstel van belastingen en aflossingen zijn de belangrijkste oorzaken.’

Opvallend is dat het relatief hoge rendement in de langdurige intramurale zorg nog steeds wordt gerealiseerd op het vastgoed. De aanhoudend lage rentestand en een lager investeringsniveau leiden namelijk tot een lagere kapitaallast dan de vergoeding vanuit de normatieve huisvestingscomponent (NHC) dekt. Naar verwachting is dit volgens Leensen eindig omdat de NHC over een paar jaar onderhandelbaar wordt. ‘De investeringen in duurzaamheid en innovatie zullen de afschrijvingslast doen toenemen en de rente zal mogelijk gaan stijgen om in de pas te lopen met de oplopende inflatie.’

Vooruitkijkend naar 2021 is het de verwachting dat de rendementen minimaal zullen terugzakken tot het niveau van 2019. Waren de compensatieregelingen voor 2020 over het algemeen nog riant, voor 2021 is dat veel minder het geval.

Ziekteverzuim / verloop / PNIL / vacatures

Corona heeft in heel Nederland gezorgd voor een forse toename van het verzuim en dat is in de gezondheidszorg niet anders. Het verzuim neemt toe van 6,3% naar 6,9%.

Opvallend is de forse daling van het verloop van bijna 16% naar ruim 13%. Het lagere verloop heeft direct zijn weerslag op de inzet van PNIL, die is afgenomen van 7,4% naar 7%. Overigens zijn er ook twee andere effecten die hierin meespelen. Ten eerste het lagere productievolume bij met name de ziekenhuizen. Ondanks de intensieve coronazorg is het productievolume over 2020 met 80% tot 90% van het normale niveau wel lager dan in andere jaren. De ruimte die daardoor is ontstaan, is ingezet om het ziekteverzuim op te vangen. Het tweede effect is een gevolg van de zorgbonus. Deze verhoogt de personeelskosten in 2020 eenmalig, waardoor de inzet van PNIL uitgedrukt als percentage van de totale personeelskosten daalt. Een ruwe schatting is dat dit zo’n 0,3%-punt van de daling verklaart.

Leensen: ‘Alhoewel verzuim en verloop beide op hun eigen manier eenmalig zijn beïnvloed door corona, blijven de kengetallen op zorgwekkende niveaus. Veelal zetten zorgorganisaties PNIL in om tekorten op te vangen. Dit is geen structurele oplossing. Naast het feit dat de kosten voor de inzet van PNIL hoger liggen dan voor personeel in loondienst, vormt ook de invoering van de wet DBA een fiscaal en daarmee financieel risico voor de werkgever. Personele uitdagingen in de zorg vragen om structurele oplossingen.’

Het aantal vacatures in de Nederlandse gezondheidszorg is gedaald. Door de forse daling in het verloop is minder instroom nodig om de lege plekken op te vullen.

Noot aan de redactie

Deze barometer is gebaseerd op de cijfers die eind juli 2021 in DigiMV zijn gedeponeerd. In deze analyse zijn de cijfers van 423 zorginstellingen opgenomen, zij vertegenwoordigen circa 75% van de totale omvang van de Nederlandse gezondheidszorg. Dat is voldoende voor een betrouwbaar totaalbeeld. Om de cijfers goed vergelijkbaar te houden, zijn de latere deponeringen over 2019 meegenomen in de benchmark. Zo bestaat de dataset over 2019 nu uit 747 instellingen. Dat zijn er 294 meer dan de 453 waar de barometer van vorig jaar op is gebaseerd. Dit betekent dat de vergelijkende cijfers op onderdelen afwijken van de editie van vorig jaar.