Resultaat uit factoring kwalificeert niet als rentebate voor earningsstrippingmaatregel
Het hof heeft recentelijk geoordeeld dat het resultaat uit factoringactiviteiten niet kwalificeert als rentebate voor de toepassing van de earningsstrippingmaatregel en dat evenmin sprake is van een onjuiste implementatie van de richtlijn.
Feiten en omstandigheden
Belanghebbende is een factoringmaatschappij binnen een concern en houdt zich bezig met het overnemen en innen van handelsvorderingen van groepsvennootschappen. Deze vorderingen worden op non-recourse basis overgenomen, hetgeen inhoudt dat de eigendom en het volledige debiteurenrisico direct overgaan op belanghebbende. De vorderingen hebben een looptijd van maximaal 90 dagen en worden overgenomen tegen de nominale waarde minus een zogenoemde factoring fee, bestaande uit een marge en een Reference Rate.
Het verschil tussen de aankoopprijs van de vorderingen en de uiteindelijk ontvangen bedragen komt tot uitdrukking in het resultaat van belanghebbende. Voor het jaar 2019 is aanvankelijk aangifte gedaan, gevolgd door een herziene aangifte waarin de renteaftrekbeperking buiten toepassing is gelaten. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag echter een correctie toegepast door een deel van de rentelasten niet in aftrek toe te staan.
Earningsstrippingmaatregel
In deze zaak gaat het om toepassing van de generieke renteaftrekbeperking, de zogenoemde earningsstrippingmaatregel, die sinds 1 januari 2019 van toepassing is. Deze maatregel is gericht op het beperken van renteaftrek ter voorkoming van winstverschuiving en grondslaguitholling. Op grond hiervan is het saldo van rentelasten en rentebaten slechts aftrekbaar tot een bepaald percentage van de gecorrigeerde winst, dan wel tot een vaste drempel. Voor het onderhavige jaar gold dat dit saldo niet aftrekbaar is voor zover het meer bedraagt dan 30% van de gecorrigeerde winst, of € 1 miljoen indien dat bedrag hoger is.
Overwegingen van het hof
Het hof overweegt dat bij de beoordeling moet worden vastgesteld of sprake is van een geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst. In de relatie tussen belanghebbende en de groepsvennootschappen merkt het hof op dat sprake is van koop van handelsvorderingen, waarbij de eigendom en risico’s volledig overgaan op belanghebbende. Volgens het hof is geen sprake van een geldlening, omdat geen geld ter beschikking wordt gesteld en geen terugbetalingsverplichting bestaat.
Het hof merkt op dat ook in de relatie tussen belanghebbende en de debiteuren geen sprake is van een geldlening. Wel ontstaat een schuldverhouding, maar indien de vorderingen binnen de overeengekomen termijn worden voldaan, wordt geen rente berekend. Volgens het hof is daarom geen sprake van rentebaten uit deze vorderingen.
Het hof merkt voorts op dat in de parlementaire geschiedenis een voorbeeld is besproken waarin een obligatie beneden pari wordt verworven en de latere aangroei tot de nominale waarde als rentebate wordt aangemerkt. Het hof overweegt dat, hoewel een vergelijking met deze situatie aanleiding kan geven tot twijfel, dit voorbeeld niet doorslaggevend is. Volgens het hof is in de onderhavige zaak geen sprake van een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst, zodat de waardeaangroei van de overgenomen handelsvorderingen niet als rentebate kan worden aangemerkt.
Volgens het hof volgt uit het voorgaande dat naar nationaal recht geen sprake is van rentebaten. Ten aanzien van de stelling dat de relevante richtlijn onjuist zou zijn geïmplementeerd, overweegt het hof dat de definities daarin verwijzen naar het nationale recht. Het hof merkt op dat dit meebrengt dat geen sprake is van een te beperkte implementatie. Volgens het hof biedt de richtlijn lidstaten ruimte voor invulling naar nationaal recht en vereist deze geen ruimere uitleg van het rentebegrip.