Vier mensen werken samen rond een laptop aan een tafel in een moderne vergaderruimte

Hoe samenwerking evolueert van overleg naar uitvoeringskracht


Samenwerken in een netwerk vraagt meer dan overleg; duidelijke keuzes maken het verschil tussen praten en presteren.


In het kort:

  • Veel samenwerkingen tussen organisaties stranden niet door gebrek aan engagement, maar door onduidelijke keuzes over rollen, sturing en verantwoordelijkheid.
  • Uitvoeringskracht ontstaat pas wanneer differentiatie, integratie en governance bewust op elkaar worden afgestemd en meegroeien met de ambitie van het netwerk.
  • Door samenwerking expliciet te ontwerpen en regelmatig te herijken, kunnen organisatienetwerken evolueren van overlegstructuren naar effectieve impactmakers.

Slechts 20% van de organisatienetwerken slaagt erin zijn doelstellingen te realiseren1. Dat cijfer staat in schril contrast met de ambities waarmee veel samenwerkingen starten. Moeten we samenwerking in netwerken dan maar vermijden? Integendeel. Onderzoek toont aan dat netwerken sterk verschillen in hun functioneren. Die verschillen zijn minder het gevolg van intenties of engagement, en hangen vooral samen met de keuzes die organisaties maken rond doelstellingen, rolverdeling en besluitvorming. Net die keuzes bepalen in welke mate samenwerking leidt tot verschillende niveaus van succes en uitvoeringskracht. Zonder expliciete afspraken daarover dreigt samenwerking te verzanden in overleg met beperkte impact.

Effectiviteit van netwerken
20%
20%
Slechts één op de vijf organisatienetwerken realiseert zijn doelstellingen.

Waarom en wanneer een organisatienetwerk de juiste keuze is

Om te begrijpen waarom samenwerking vastloopt, is het eerst nodig te verduidelijken waarom organisatienetwerken überhaupt ontstaan. Ze ontstaan zelden uit luxe. Meestal komen ze tot stand wanneer organisaties vaststellen dat hun eigen capaciteit, expertise of mandaat onvoldoende is om een complex vraagstuk doeltreffend aan te pakken. Dat is bijvoorbeeld het geval bij eerstelijnszones, intergemeentelijke samenwerkingen, interdepartementale structuren binnen de Vlaamse overheid (zoals het voorzittersoverleg) of initiatieven rond streekontwikkeling.

Dergelijke vraagstukken overstijgen organisatie- én bestuursniveaus en brengen lokale, regionale, Vlaamse en federale actoren samen, elk met eigen bevoegdheden en perspectieven. Geen enkele organisatie beschikt daarbij over het volledige mandaat of leiderschap. Door samenwerking structureel te organiseren, kunnen deze actoren samen oplossingen realiseren die voor elke afzonderlijke organisatie buiten bereik blijven.

Deze nood aan samenwerking vloeit voort uit een structurele verschuiving in hoe organisaties hun werking organiseren. Steeds vaker focussen zij zich op hun kerntaken, terwijl activiteiten die daarbuiten vallen collectief worden opgenomen. Deze dynamiek, vaak omschreven als ‘shrinking core, expanding periphery’, verklaart waarom organisatienetwerken vandaag zo prominent aanwezig zijn. Ze maken het mogelijk om te excelleren in de eigen kernopdracht, terwijl aanvullende of grensoverschrijdende taken gezamenlijk worden georganiseerd2.

Samenwerking in een netwerk is echter geen vanzelfsprekende keuze. Ze vraagt engagement, het delen van beslissingsmacht en het loslaten van een deel van de autonomie. Net daarom blijkt een organisatienetwerk in de praktijk vooral aangewezen wanneer aan drie voorwaarden is voldaan2.

  1. Het beoogde resultaat overstijgt de mogelijkheden van één organisatie.
  2. Het probleem is te complex om met traditionele methodieken op te lossen en de markt ontwikkelt hiervoor geen oplossingen.
  3. Het beoogde resultaat heeft nood aan een maatwerkoplossing.


Samenwerking vraagt engagement, het delen van beslissingsmacht en het loslaten van een deel van de autonomie.




Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, ontstaat vaak onnodige complexiteit. In zulke gevallen volstaan lichtere vormen van samenwerking, en voorkomt men dat overleg zwaarder wordt dan de toegevoegde waarde.

Niet elke samenwerking vraagt een organisatienetwerk

Daarom is het belangrijk om samenwerking niet automatisch als een organisatienetwerk te organiseren. Samenwerking kent verschillende vormen, elk met een eigen dynamiek en vereisten2.

  • Leernetwerken focussen op kennisdeling, reflectie en uitwisseling van ervaringen. De onderlinge afhankelijkheid is beperkt: deelnemers blijven autonoom en zijn niet samen verantwoordelijk voor concrete resultaten. Besluitvorming is minimaal en deelname is doorgaans vrijwillig. De toegevoegde waarde zit in leren en inspiratie, niet in gezamenlijke uitvoering. Vaak is dit al meer dan voldoende.

  • Gedeelde diensten (shared services) zijn gericht op efficiëntie en schaalvoordelen in ondersteunende processen, zoals IT, HR of administratie. De samenwerking is functioneel en procesmatig georganiseerd, met duidelijke afspraken over taken, kostenverdeling en serviceniveaus. De impact op de kernwerking van de deelnemende organisaties blijft doorgaans beperkt.

  • Organisatienetwerken verbinden organisaties in hun kernwerking rond een gedeelde maatschappelijke doelstelling, met het oog op maximale impact voor de eindgebruiker of burger. De onderlinge afhankelijkheid is daarbij hoog: beslissingen en acties van de ene partner hebben directe gevolgen voor de andere én voor de kwaliteit en effectiviteit van de gerealiseerde dienstverlening. Dat vraagt expliciete afstemming van processen, duidelijke rol- en mandaatafspraken, gezamenlijke besluitvorming en een vorm van sturing die collectief en relationeel georganiseerd wordt.

Net die onderlinge afhankelijkheid maakt organisatienetwerken potentieel krachtig, maar tegelijk ook kwetsbaar. Zonder duidelijke afspraken over mandaat en sturing ontstaat al snel onzekerheid over wie waarover beslist.

Waarom netwerken vastlopen: van overleg naar stilstand

Die kwetsbaarheid vertaalt zich in de praktijk in terugkerende patronen. In veel organisatienetwerken verloopt besluitvorming traag; niet omdat niemand wil beslissen, maar omdat niemand formeel kan. Vertegenwoordigers zitten aan tafel zonder duidelijk mandaat, terwijl de achterliggende organisaties hun autonomie willen behouden.

Het gevolg is een netwerk dat vergadert, maar niet beweegt. De coördinatielast neemt toe, verwachtingen lopen uiteen en verantwoordelijkheid wordt diffuser in plaats van gedeeld. Wat bedoeld was als hefboom voor gezamenlijke actie, evolueert zo naar een overlegstructuur met beperkte slagkracht.

Deze vastlopende dynamiek heeft zelden te maken met individueel falen, maar met hoe het netwerk is georganiseerd. Die structurele spanning situeert zich tussen differentiatie, integratie en governance2.
 

Het evenwicht tussen differentiatie en integratie

Differentiatie gaat over wie deelneemt aan het netwerk en welke rol elke partner opneemt. Hoe complexer het vraagstuk, hoe groter de nood aan diverse competenties, perspectieven en bevoegdheden. Tegelijk verhoogt elke bijkomende partner de onderlinge afhankelijkheid én de coördinatielast. Differentiatie vergroot dus het oplossend vermogen, maar verhoogt ook het risico op fragmentatie. Het advies is daarom helder: betrek enkel die organisaties en actoren die daadwerkelijk nodig zijn om de doelstelling te realiseren en die een duidelijke toegevoegde waarde hebben voor het netwerk en de beoogde impact.

Integratie verwijst naar hoe die diversiteit wordt samengebracht in gezamenlijke actie: via besluitvorming, rolverdeling, informatie-uitwisseling en regie. Naarmate differentiatie toeneemt, volstaat informele afstemming steeds minder en moet integratie explicieter worden georganiseerd. Tegelijk kan te ver doorgedreven integratie leiden tot rigiditeit en weerstand, zeker wanneer ze wordt ervaren als een aantasting van autonomie. Het centrale vraagstuk wordt dan hoe organisaties voldoende integratie organiseren, zonder samenwerking te verstarren.

Dat is waar goede governance in beeld komt. Het gaat daarbij niet om een extra laag bovenop differentiatie en integratie, maar om het bewust bewaken van het evenwicht daartussen: wanneer volstaat vrijwillige afstemming, en wanneer zijn duidelijke afspraken nodig om samenwerking werkbaar te houden. Dat bepaalt hoe beslissingen tot stand komen, wie over welk mandaat beschikt en hoe verantwoordelijkheid wordt opgenomen en opgevolgd.

Governance kan daarbij op verschillende manieren worden ingericht. Er bestaan uiteenlopende governancevormen, zoals zelfregulerende netwerken, leidende partnerstructuren of netwerkadministratieve organisaties (NAO’s). Welke vorm het meest passend is, hangt samen met de mate van differentiatie en de vereiste integratie. Hoe complexer het netwerk en hoe groter de onderlinge afhankelijkheid, hoe explicieter governance moet worden georganiseerd.

Tegelijk is governance geen garantie op succes. Een te lichte governance leidt tot vrijblijvendheid en besluiteloosheid, terwijl te zware structuren samenwerking kunnen verstarren en weerstand oproepen. Effectieve netwerken zoeken daarom voortdurend naar een werkbaar evenwicht. Ze beschouwen governance niet als een eenmalig ontwerp, maar als een dynamisch gegeven dat meegroeit met de ambitie, schaal en maturiteit van het netwerk.
 

Van analyse naar actie

Organisaties die willen inzetten op samenwerking in netwerken doen er goed aan expliciet stil te staan bij wie betrokken wordt (differentiatie), hoe die diversiteit wordt samengebracht in besluitvorming en uitvoering (integratie), en welke sturingsmechanismen nodig zijn om dit werkbaar te houden (governance). Pas wanneer deze drie elementen bewust op elkaar worden afgestemd, ontstaat uitvoeringskracht in plaats van overleg.

Dat vraagt om afstand te nemen van hoe het netwerk historisch is gegroeid en om expliciete keuzes te maken over mandaat, rolverdeling en besluitvorming. In sommige gevallen betekent dit ook dat bestaande structuren moeten worden hertekend, zodat governance beter aansluit bij de reële onderlinge afhankelijkheid en complexiteit van het netwerk.

EY ondersteunt organisaties in dit proces: van analyse naar gerichte actie, en van gedeelde ambitie naar realiseerbare impact. Niet door standaardmodellen toe te passen, maar door samen met partners netwerkgovernance te ontwerpen die past bij de mate van differentiatie, de vereiste integratie en de bestuurlijke realiteit waarin het netwerk opereert.





Samenvatting

Netwerken bieden kansen om complexe vraagstukken samen aan te pakken, maar brengen ook kwetsbaarheden mee. Effectieve samenwerking vergt duidelijke keuzes over samenwerkingsvorm, rolverdeling en sturing. Door governance vorm te geven en samenwerking regelmatig te evalueren, kunnen netwerkorganisaties hun werking versterken en duurzame resultaten neerzetten.


Over dit artikel

Lees ook

Hoe een objectieve partner kan bijdragen aan regiovorming

EY bracht de impact van regiovorming op afvalintercommunales in kaart in opdracht van Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB).

Hoe EY vertrouwen en samenwerking ondersteunt om duurzame drinkwatervoorziening te verzekeren

EY ondersteunde De Watergroep en FARYS|TMVW bij onderzoek naar samenwerkingsmogelijkheden in een gezamenlijke dochteronderneming.