A-G over box 3 teruggaaf

De advocaat-generaal adviseert dat belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, geen recht hebben op teruggave van box 3 heffing over 2017 2020

De advocaat-generaal (A-G) heeft recentelijk de Hoge Raad geadviseerd dat zogenoemde niet bezwaarmakers geen recht hebben op teruggave of vermindering van de box 3 heffing over de jaren 2017 tot en met 2020 naar aanleiding van het Kerstarrest van 24 december 2021. De A-G komt tot deze conclusie in twee geselecteerde zaken die onderdeel zijn van de zogeheten massaalbezwaarplusprocedure.

Achtergrond: het Kerstarrest en box 3

De Hoge Raad heeft in het Kerstarrest geoordeeld dat het sinds 2017 geldende box 3 stelsel in strijd is met het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel van het EVRM. Belastingplichtigen die tijdig bezwaar maakten tegen hun aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2017-2020 kwamen daardoor in aanmerking voor vermindering, voor zover de box 3 heffing was gebaseerd op een forfaitair rendement dat hoger was dan het werkelijke rendement.

Voor belastingplichtigen die geen tijdig bezwaar hebben gemaakt (niet bezwaarmakers) staan de aanslagen over deze jaren onherroepelijk vast. Hoewel een onherroepelijke aanslag in beginsel nog ambtshalve kan worden verminderd, geldt daarvoor een wettelijk kader. Volgens dat kader wordt een aanslag niet verminderd als de onjuistheid voortvloeit uit jurisprudentie die pas tot stand is gekomen nadat de aanslag onherroepelijk is geworden (de nieuwe jurisprudentie uitzondering), tenzij de minister van Financiën anders bepaalt.

De minister van Financiën heeft voor niet bezwaarmakers over de box 3 heffing in de jaren 2017-2020 geen afwijkend beleid vastgesteld. Het kabinet heeft in september 2022 besloten dat deze groep niet in aanmerking komt voor vermindering van hun aanslagen.

Massaalbezwaarplusprocedure

Veel niet‑bezwaarmakers hebben desondanks verzocht om ambtshalve vermindering met een beroep op het Kerstarrest. Deze verzoeken zijn aangewezen voor de massaalbezwaarplusprocedure, waarbij enkele zaken worden uitgeprocedeerd om een rechtsvraag te laten beantwoorden die vervolgens geldt voor alle vergelijkbare gevallen. De twee zaken waarover de A‑G concludeert, behoren tot deze geselecteerde zaken.

Volgens de inspecteur en de staatssecretaris van Financiën kunnen niet bezwaarmakers geen aanspraak maken op ambtshalve vermindering op basis van het Kerstarrest, omdat de nieuwe jurisprudentie uitzondering van toepassing is; deze opvatting is door de Hoge Raad bevestigd in zijn uitspraak van 20 mei 2022.

Niettemin wordt deze rechtsvraag opnieuw voorgelegd in het kader van de massaalbezwaarplusprocedure, omdat belangenorganisaties van mening zijn dat in de eerdere procedure niet alle relevante argumenten aan de orde zijn gekomen.

Oordelen van rechtbanken en klachten in cassatie

De rechtbank Den Haag en de rechtbank Zeeland West Brabant hebben geoordeeld dat de nieuwe jurisprudentie uitzondering van toepassing is en dat de aanslagen van niet bezwaarmakers niet hoeven te worden verminderd. In cassatie is onder meer aangevoerd dat deze uitzondering onjuist is toegepast, dat zij in strijd is met hoger recht en dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

Conclusie A-G

De A-G is van mening dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Er is volgens de A-G geen aanleiding om terug te komen van de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022.

Volgens de A-G is het centrale punt de vraag of de nieuwe jurisprudentie uitzondering verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. De A-G merkt op dat dit beginsel vereist dat nadelige gevolgen voor burgers niet onevenredig mogen zijn ten opzichte van het nagestreefde doel.

Volgens de A-G blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling voor ambtshalve vermindering, niet direct of indirect dat bij het voorzien in de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen zijn meegewogen. De A-G concludeert wel dat er andere bronnen zijn die voldoende aanknopingspunten bieden voor de belastingrechter om te kunnen beoordelen of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. Uit die andere bronnen blijkt dat met de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (i) budgettaire belangen, (ii) het belang van uitvoerbaarheid en (iii) het belang van rechtszekerheid worden nagestreefd. De nadelige gevolgen voor belastingplichtigen acht de A-G niet onevenredig in verhouding tot deze doelen, mede omdat de rechter een terughoudende toets moet hanteren bij politiek bestuurlijke keuzes. Ook acht de A-G de uitzondering niet strijdig met het EVRM.

Vervolg

De A-G concludeert dat alle cassatieklachten ongegrond zijn en dat de uitspraken van de rechtbanken in stand kunnen blijven. Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.