Bewijslast bij splitsingsfaciliteit

Hoge Raad oordeelt dat Belastingdienst bij vervreemding aandelen binnen drie jaar niet zonder meer mag uitgaan van misbruik bij toepassing van de splitsingsfaciliteit

De Hoge Raad heeft recentelijk beslist dat bij de toepassing van de fiscale splitsingsfaciliteit in de vennootschapsbelasting, de bewijslast niet automatisch bij de belastingplichtige mag worden gelegd enkel vanwege een wettelijke veronderstelling dat bij een vervreemding binnen drie jaar geen sprake is van zakelijke overwegingen. 

Splitsingsfaciliteit

Met de faciliteit voor de fiscaal geruisloze splitsing hoeft bij een juridische splitsing nog geen vennootschapsbelasting hoeft te worden betaald (niet hoeft te worden afgerekend). Er moet dan wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Een van deze voorwaarden is dat de splitsing niet hoofdzakelijk mag zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. 

De wet bevat een zogenoemd wettelijk vermoeden op grond waarvan een splitsing wordt geacht hoofdzakelijk te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien bepaalde aandelen binnen drie jaar na de splitsing aan een derde worden overgedragen. In een dergelijk geval kunnen belastingplichtigen de faciliteit voor de fiscaal geruisloze splitsing slechts toepassen indien zij aannemelijk maken dat de splitsing hoofdzakelijk was gebaseerd op zakelijke overwegingen, zoals de herstructurering of rationalisatie van de operationele activiteiten van de splitsende vennootschap.

De splitsingsfaciliteit voor zowel binnenlandse als grensoverschrijdende splitsingen is gebaseerd op de Europese Fusierichtlijn. De Fusierichtlijn staat echter slechts een vermoeden van misbruik toe indien de splitsing niet wordt uitgevoerd om geldige zakelijke redenen, zoals de herstructurering of rationalisatie van de activiteiten van de splitsende vennootschap.

Feiten en omstandigheden

Belanghebbende is een uitvaartverzekeringsmaatschappij die deel uitmaakt van een Nederlandse verzekeringsgroep met een in Luxemburg gevestigde aandeelhouder. In 2017 werd de verkoop van de onderneming van belanghebbende aan een derde voorbereid via een afsplitsing en daaropvolgende aandelenverkoop. De inspecteur en het gerechtshof oordeelden dat, doordat het bij de splitsing verkregen aandeel binnen drie jaar na de splitsing aan een derde is vervreemd, zakelijke overwegingen ontbraken en dat het belanghebbende niet is gelukt het tegendeel aannemelijk te maken. 

Overwegingen Hoge Raad

De Hoge Raad geeft aan dat nationale bepalingen over misbruik bij splitsingen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met het Europese kader. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat slechts sprake kan zijn van een vermoeden van misbruik indien een transactie uitsluitend is gericht op het behalen van een fiscaal voordeel en niet op zakelijke overwegingen.

Volgens de Hoge Raad volgt uit de Europese rechtspraak dat geen algemeen vermoeden van belastingontwijking mag worden gehanteerd. Elke transactie moet in haar geheel en concreet worden beoordeeld. Een regeling die ertoe leidt dat de belastingplichtige steeds moet bewijzen dat zakelijke overwegingen aanwezig zijn, zonder dat de Belastingdienst een begin van bewijs hoeft te leveren, is daarmee niet verenigbaar.

De Hoge Raad merkt op dat de enkele omstandigheid dat aandelen binnen drie jaar na een splitsing aan een derde worden vervreemd, niet automatisch betekent dat geen zakelijke overwegingen aanwezig zijn of dat sprake is van belastingontwijking, ook niet als die vervreemding al vooraf was voorzien. Het wettelijke bewijsvermoeden dat in zo’n geval zakelijke overwegingen ontbreken, moet daarom buiten toepassing blijven.

De Hoge Raad concludeert dat het hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld door van belanghebbende te verlangen het tegendeel te bewijzen zonder dat de inspecteur een begin van bewijs had geleverd. 

Zowel einddoel als weg naar einddoel van belang

Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat bij de beoordeling of een splitsing is gebaseerd op geldige zakelijke redenen doorslaggevend is dat zowel (1) het einddoel van de transactie als (2) de gekozen route (te weten de afsplitsing van een Nederlandse onderneming via een juridische splitsing) door dergelijke geldige zakelijke redenen worden gedragen. De Hoge Raad merkt tot slot op dat door aandeelhouders ingegeven motieven, waaronder de intentie om de afgesplitste activiteiten te verkopen, kunnen kwalificeren als geldige zakelijke redenen.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en de zaak is verwezen voor verdere behandeling. 

Een Engelstalige EY Tax Alert vindt u hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.