Geen beleidskeuze na vervolgonderzoek naar drie beleidsopties voor de generieke renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) door mogelijke Europese wijzigingen
De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over het vervolgonderzoek naar uitholling van de grondslag van de vennootschapsbelasting door excessieve financieringsconstructies met aan derden verhuurd vastgoed. Hij geeft aan dat het op dit moment, in afwachting van het Omnibusvoorstel met verwachte gevolgen voor de earningsstrippingmaatregel, niet opportuun is om een beleidsrichting te kiezen.
Aanleiding en context
In het Belastingplan 2025 was een antifragmentatiemaatregel voorgesteld binnen de generieke renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting. Deze maatregel was bedoeld om het voordeel weg te nemen dat kan worden behaald door investeringen in en financieringskosten van aan derden verhuurd vastgoed te verspreiden over verschillende vennootschappen, waardoor meerdere malen gebruik kan worden gemaakt van de drempel van € 1 miljoen in de earningsstrippingmaatregel. De Tweede Kamer heeft met het aannemen van een amendement besloten deze maatregel niet in te voeren.
Naar aanleiding van een eveneens aangenomen motie is vervolgens onderzocht welke alternatieve beleidsopties beschikbaar zijn om belastingconstructies te bestrijden die erop zijn gericht de generieke renteaftrekbeperking te ontwijken. In de Kamerbrief wordt uiteengezet dat de Belastingdienst wordt geconfronteerd met structureel verlieslatende vennootschappen die Nederlands aan derden verhuurd vastgoed houden, doordat huurbaten worden overtroffen door afschrijvingslasten en rentelasten. Deze rentelasten vloeien veelal naar laagbelastende jurisdicties en worden geoptimaliseerd door fragmentatie over meerdere vennootschappen. De bestaande renteaftrekbeperkingen werken volgens de staatssecretaris niet, althans niet adequaat, tegen deze vorm van grondslaguitholling.
Drie onderzochte beleidsopties
De staatssecretaris heeft drie beleidsopties onderzocht.
- De eerste beleidsoptie betreft de introductie van een concernbegrip bij de toepassing van de drempel in de earningsstrippingmaatregel. Deze maatregel houdt in dat een belastingplichtige de drempel van € 1 miljoen niet mag toepassen indien hij gedurende het jaar hoofdzakelijk deel uitmaakt van een concern. In dat geval is renteaftrek slechts mogelijk tot maximaal 24,5% van de gecorrigeerde winst. Voor toepassing van deze maatregel wordt een belastingplichtige geacht onderdeel te zijn van een concern indien sprake is van minimaal vijf verbonden lichamen. Deze beleidsoptie beoogt de drempel doelgerichter te maken en richt zich op het tegengaan van fragmentatie, maar ziet niet specifiek op het omzetten van eigen vermogen in vreemd vermogen. Naar verwachting zou deze maatregel circa 15.000 belastingplichtigen raken, waaronder ook belastingplichtigen die niet betrokken zijn bij grondslaguitholling met betrekking tot aan derden verhuurd vastgoed. De staatssecretaris merkt op dat de negatieve neveneffecten niet in verhouding staan tot het beoogde doel.
- De tweede beleidsoptie betreft een beperking van de drempel in de earningsstrippingmaatregel tot € 200.000 voor belastingplichtigen die kwalificeren als vastgoedlichaam en in bepaalde mate zijn gefinancierd met leningen van verbonden lichamen. Voor belastingplichtigen die niet aan beide voorwaarden voldoen blijft de drempel van € 1 miljoen van toepassing. Deze maatregel vertoont sterke gelijkenis met de niet ingevoerde antifragmentatiemaatregel uit het Belastingplan 2025, maar is gerichter doordat zij uitsluitend ziet op vastgoedlichamen met groepsfinanciering. De maatregel voorkomt naar verwachting fragmentatie binnen deze specifieke groep, maar ziet niet specifiek op het omzetten van eigen vermogen in groepsleningen en kent geen tegenbewijsregeling, waardoor zij in individuele gevallen te streng kan uitpakken.
- De derde beleidsoptie betreft een uitbreiding van de bestaande specifieke renteaftrekbeperking, waarbij ook rente op leningen van verbonden lichamen die verband houden met het verwerven of aanhouden van aan derden verhuurd vastgoed in aftrek wordt beperkt. De bestaande tegenbewijsregeling blijft van toepassing, waardoor rente alsnog aftrekbaar kan zijn indien de belastingplichtige kan aantonen dat geen sprake is van grondslaguitholling. Deze maatregel adresseert zowel fragmentatie als het presenteren van eigen vermogen als groepslening en heeft een breder toepassingsbereik dan de andere beleidsopties. Hoewel circa 15.000 belastingplichtigen met de maatregel te maken kunnen krijgen, wordt verwacht dat uiteindelijk slechts een beperkt aantal belastingplichtigen daadwerkelijk wordt geraakt. Daar staat tegenover dat de maatregel gepaard gaat met aanzienlijke uitvoerings en toezichtslasten voor de Belastingdienst.
Omnibusvoorstel
Bij de afweging van deze beleidsopties betrekt de staatssecretaris dat de Europese Commissie voornemens is een Omnibusvoorstel te publiceren dat is gericht op het stroomlijnen en vereenvoudigen van de eerste EU richtlijn antibelastingontwijking. Dit voorstel heeft tot doel de administratieve lasten voor bedrijven te verminderen en zal naar verwachting gevolgen hebben voor de earningsstrippingmaatregel.
De staatssecretaris concludeert dat alle onderzochte beleidsopties voor en nadelen kennen. Gelet op de verwachte Europese ontwikkelingen acht hij het niet opportuun om op dit moment een beleidsrichting te kiezen. Zodra duidelijk is in welke mate de earningsstrippingmaatregel op Europees niveau wordt aangepast, zal de Tweede Kamer nader worden geïnformeerd over de opportuniteit van het treffen van aanvullende maatregelen.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.