Gemeentelijke heffingen nemen toe; kabinet legt verantwoordelijkheid bij gemeenten
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft recentelijk gereageerd op Kamervragen over de sterke stijging van gemeentelijke lasten en de gevolgen daarvan voor huishoudens, in het bijzonder voor huiseigenaren en automobilisten.
In de beantwoording staat centraal dat gemeentelijke heffingen in veel gemeenten zijn gestegen, in sommige gevallen sterker dan de gemiddelde inflatie. De minister erkent dat deze ontwikkeling zorgen oproept bij burgers, maar benadrukt tegelijkertijd dat de beoordeling en vaststelling van lokale lasten een verantwoordelijkheid is van gemeenten zelf. Vanuit het kabinet wordt geen directe sturing gegeven op het niveau van afzonderlijke gemeentelijke heffingen.
De minister geeft aan dat inflatie wordt gemeten op basis van een gemiddeld pakket van goederen en diensten dat door huishoudens wordt aangeschaft. Stijgingen van gemeentelijke heffingen maken onderdeel uit van deze berekening, maar de ervaren inflatie kan per huishouden verschillen. Volgens de minister betekent dit dat sommige huishoudens meer last kunnen hebben van stijgende lokale lasten dan anderen. Bij de voorbereiding van de rijksbegroting wordt volgens hem wel gekeken naar de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen, waarbij het effect van gemeentelijke lasten in het algemeen beperkt is.
De minister merkt op dat de stijging van gemeentelijke lasten sinds 2016 vragen oproept, maar dat het staatsrechtelijk niet passend is om als bewindspersoon in te grijpen in de keuzes van individuele gemeenten. Gemeenteraden maken volgens hem zelf afwegingen tussen belastingdruk, het niveau van voorzieningen en andere lokale prioriteiten. Ter ondersteuning daarvan is een benchmark voor lokale woonlasten ingevoerd, waarmee raadsleden de ontwikkeling van deze lasten beter kunnen vergelijken en onderbouwde besluiten kunnen nemen.
Volgens de bewindsman geldt voor parkeerheffingen hetzelfde uitgangspunt. Het is aan gemeenten om te bepalen of en waar parkeerbelastingen worden geheven. De politieke afweging over de voor- en nadelen daarvan vindt plaats in de gemeenteraad. In gebieden met een hoge parkeerdruk wordt betaald parkeren vaak ingezet om de beschikbare ruimte te reguleren. De minister geeft aan dat parkeerbeleid niet uitsluitend een financiële maatregel is, maar ook kan bijdragen aan bereikbaarheid, de kwaliteit van de openbare ruimte en het milieu.
De minister merkt verder op dat de financiële positie van gemeenten de afgelopen periode onder druk heeft gestaan. Er zijn daarom afspraken gemaakt tussen het Rijk en gemeenten over de balans tussen taken en middelen, onder meer op het terrein van de jeugdzorg. Daarbij zijn aanvullende middelen beschikbaar gesteld via het Gemeentefonds om tijdelijke tekorten op te vangen en om gemeenten financieel werkbaar te houden.
Volgens de bewindsman ziet het kabinet geen rol voor landelijke maxima of inflatiekoppelingen voor gemeentelijke heffingen zoals de onroerendezaakbelasting of parkeerbelastingen. Dergelijke keuzes passen binnen de lokale autonomie van gemeenten. Het kabinet beperkt zich tot het bewaken van gemaakte afspraken over gemeentefinanciën en het beschikbaar stellen van middelen waar dat nodig is.
Tot slot geeft de minister aan dat huishoudens die door een stapeling van gemeentelijke lasten in financiële problemen komen, gebruik kunnen maken van bestaande landelijke maatregelen tegen armoede en schulden. Daarnaast voeren gemeenten hun eigen armoedebeleid, dat per gemeente kan verschillen.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.