Bewindspersonen benadrukken dat fiscale regels, zoals pensioenfondsvrijstelling, fbi regime en renteaftrekbeperking, het investeringsklimaat beïnvloeden, maar niet doorslaggevend zijn voor uitstroom uit woningfondsen
De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de staatssecretaris van Financiën zijn recentelijk in beantwoording van Kamervragen ingegaan op de uitstroom van (buitenlandse) beleggers uit woningfondsen. De bewindslieden zetten onder meer uiteen welke rol fiscale regelgeving speelt bij het investeringsklimaat voor de Nederlandse woningmarkt.
Aanleiding en context
De Kamervragen zijn gesteld naar aanleiding van signalen dat beleggers, waaronder buitenlandse partijen, kapitaal terugtrekken uit Nederlandse woningfondsen. De bewindspersonen schetsen dat deze ontwikkeling kan leiden tot uitponding van huurwoningen en tot minder nieuwbouw, met gevolgen voor de beschikbaarheid van met name middenhuurwoningen. In dat kader wordt ook aandacht besteed aan de factoren die investeringsbeslissingen beïnvloeden, waaronder fiscale randvoorwaarden.
Fiscale behandeling als onderdeel van investeringsklimaat
De minister en de staatssecretaris geven aan dat fiscale regelgeving één van de elementen is die investeerders betrekken bij hun afweging om al dan niet in Nederland te investeren. Tegelijkertijd benadrukken zij dat investeringsbeslissingen het resultaat zijn van een samenloop van factoren, zoals renteontwikkelingen, huurregulering en de voorspelbaarheid van overheidsbeleid. Volgens de bewindspersonen is het daarom niet mogelijk om het specifieke effect van fiscale behandeling op het investeringsgedrag van buitenlandse pensioenfondsen afzonderlijk te kwantificeren.
Vennootschapsbelasting en pensioenfondsvrijstelling
Ten aanzien van de vennootschapsbelasting lichten de bewindspersonen toe dat de wetgeving geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Buitenlandse pensioenfondsen kunnen, indien zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen, een beroep doen op de pensioenfondsvrijstelling. Deze vrijstelling werkt tevens door naar de dividendbelasting. Voor toepassing van de vrijstelling geldt dat het pensioenfonds zich (nagenoeg) uitsluitend moet bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in een beleidsbesluit dat is gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. De bewindspersonen merken op dat de toetsing bij buitenlandse pensioenfondsen in de praktijk complex kan zijn, omdat buitenlandse regelingen vaak niet volledig aansluiten bij de Nederlandse systematiek. Momenteel wordt bezien of de voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en of modernisering nodig is. Eventuele knelpunten kunnen volgens de bewindslieden, binnen het bestaande wettelijke kader, worden opgelost via publicatie van kennisgroepstandpunten of aanpassing van het beleidsbesluit.
Wijziging fiscaal beleggingsinstellingregime en renteaftrekbeperking
In de beantwoording erkennen de minister en de staatssecretaris dat de wijziging van het regime voor fiscale beleggingsinstellingen in de praktijk als een knelpunt kan worden ervaren bij vastgoedbeleggingen. Het terugdraaien van deze wijziging achten zij echter onwenselijk, omdat dit ertoe kan leiden dat buitenlandse investeerders in bepaalde gevallen opnieuw Nederlandse belastingheffing kunnen ontlopen. Dat wordt niet als een evenwichtige uitkomst beschouwd.
De bewindspersonen noemen ook de mogelijkheid van een afzonderlijk vastgoedregime (REIT-regime). Zij merken op dat het introduceren van zo’n nieuw fiscaal regime niet eenvoudig is.
Daarnaast verwijzen de minister en staatssecretaris naar een eerdere versoepeling van de renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel), waarbij het maximale aftrekpercentage is verhoogd (van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst). Zij geven aan dat wordt verkend of de effecten van deze maatregel voor vastgoedbedrijven nader in beeld kunnen worden gebracht.
Voorgenomen fiscale maatregelen
Tot slot wijzen de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de staatssecretaris van Financiën op voorgenomen maatregelen die gericht zijn op verbetering van het investeringsklimaat. Het kabinet zet volgens de bewindslieden een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.