Voortgang wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

Staatssecretaris licht in Nota naar aanleiding van het tweede verslag verdere uitwerking en keuzes in wetsvoorstel nader toe en bevestigt de koers richting een vermogenswinstbelasting

De staatssecretaris van Financiën heeft vragen van de Eerste Kamer beantwoord over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hij geeft daarbij een uitgebreide toelichting op de vormgeving, achtergrond en doorontwikkeling van het nieuwe stelsel. De bewindsman gaat onder meer in op vragen over: 

  • de beoogde verdere ontwikkeling richting een stelsel van belastingheffing op gerealiseerde vermogenswinsten;
  • de mogelijkheid van een bronheffing op vermogensinkomsten, mede in vergelijking met buitenlandse systemen zoals dat in Duitsland;
  • de aftrekbaarheid van rente en andere kosten binnen box 3;
  • een meer fundamentele herziening van de inkomstenbelasting, waaronder het eventueel loslaten van het huidige boxenstelsel;
  • de rol van inflatie bij de bepaling van het belastbare rendement;
  • de betekenis en gevolgen van de aangekondigde novelle bij het wetsvoorstel;
  • de vormgeving en onderbouwing van de vastgoedbijtelling.
Doorontwikkeling naar vermogenswinstbelasting

De staatssecretaris geeft aan dat het voorgestelde stelsel met een vermogensaanwasbelasting een tijdelijke tussenstap is. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken het box 3-stelsel zo snel mogelijk door te ontwikkelen naar een volledige vermogenswinstbelasting. Deze doorontwikkeling staat los van de in het wetsvoorstel opgenomen evaluatie binnen drie jaar.

Volgens de staatssecretaris worden momenteel gesprekken gevoerd met externe stakeholders en wordt gewerkt aan inzicht in budgettaire gevolgen, uitvoerbaarheid en wetgeving. De Kamer ontvangt op termijn een hoofdlijnenbrief met de vormgeving van een volledige vermogenswinstbelasting, gevolgd door een wetsvoorstel.

Verschillen tussen aanwas- en winstbelasting

De staatssecretaris merkt op dat de structurele opbrengst van een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting zonder gedragseffecten in beginsel gelijk is. Het verschil zit in het heffingsmoment: bij een vermogenswinstbelasting wordt belasting geheven bij realisatie, wat voor belastingplichtigen een liquiditeitsvoordeel oplevert, maar leidt tot latere belastinginkomsten voor de overheid. In de eerste jaren na invoering leidt een vermogenswinstbelasting daardoor tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. Deze derving wordt volgens de staatssecretaris later niet ingehaald.

Vormgeving en uitvoeringsaspecten

De staatssecretaris gaat uitgebreid in op uitvoeringsvraagstukken. Zo wordt bevestigd dat een volledige vermogenswinstbelasting niet per 1 januari 2028 kan worden ingevoerd. De overgang vergt onder meer aanpassingen bij de Belastingdienst en financiële instellingen en een volledig wetgevingstraject. Voor de implementatie geldt als uitgangspunt een termijn van circa één jaar en negen maanden na aanneming van het wetsvoorstel. Banken hebben aangegeven dat een vermogensaanwasbelasting sneller te realiseren is en minder administratieve lasten met zich brengt.

Geen inflatiecorrectie

De staatssecretaris licht toe dat het voorstel uitgaat van belastingheffing over het nominale werkelijke rendement. Het corrigeren voor inflatie wordt als complex beschouwd en kan leiden tot aanzienlijke budgettaire gevolgen en uitvoeringsproblemen. Bovendien speelt het inflatievraagstuk volgens de staatssecretaris stelselbreed, waardoor afwijking in box 3 tot verschillen tussen de boxen kan leiden.

Bronheffing geen alternatief

Een tijdelijke bronheffing, naar voorbeeld van Duitsland, wordt niet als realistisch alternatief gezien. De staatssecretaris wijst op de aanzienlijke administratieve last voor financiële instellingen en de benodigde aanpassingen in systemen. Daarnaast kan een dergelijke heffing niet alle vermogensbestanddelen omvatten en zou invoering voor een korte overgangsperiode inefficiënt zijn.

Evenwicht en draagkracht

Het wetsvoorstel beoogt volgens de staatssecretaris een betere aansluiting bij het draagkrachtbeginsel door belastingheffing op basis van werkelijk rendement. Daarbij wordt onder meer kostenaftrek geïntroduceerd en verliesverrekening mogelijk gemaakt. Ook wijst de staatssecretaris op het huidige asymmetrische stelsel, waarbij hogere rendementen niet volledig worden belast, terwijl lagere rendementen via de tegenbewijsregeling wel tot lagere belasting kunnen leiden. Het voorgestelde stelsel moet deze asymmetrie wegnemen.

Vervolg

De staatssecretaris geeft aan dat verdere besluitvorming over de vormgeving en dekking van een volledige vermogenswinstbelasting nog moet plaatsvinden. Daarnaast wordt gewerkt aan aanvullende maatregelen om het maatschappelijk en politiek draagvlak voor het nieuwe box 3-stelsel te versterken.

De gehele Kamerbrief vindt u hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.