Belastingrente van 4% voor andere belastingen dan vennootschapsbelasting niet onevenredig

Bij in rekening brengen van belastingrente over toekomstig tijdvak mag niet worden vooruitgelopen op nog niet in werking getreden renteverhoging

De Hoge Raad heeft recentelijk beslist dat belastingrente van minimaal 4% voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting niet onevenredig is. Verder oordeelt de Hoge Raad dat bij het in rekening brengen van belastingrente over een toekomstig tijdvak niet mag worden vooruitgelopen op een nog niet in werking getreden besluit tot renteverhoging.

Onderhavige zaak

In deze zaak procedeert een belanghebbende tegen een navorderingsaanslag premies Zorgverzekeringswet. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is over verschillende tijdvakken berekend tegen uiteenlopende percentages, waarbij het tarief tijdelijk sterk werd verlaagd en daarna weer is verhoogd. Tegen de hoogte van het toegepaste percentage is geprocedeerd, met als kern dat dit een ongeoorloofde aantasting van het eigendomsrecht zou zijn en onevenredig zou uitpakken. Ook is aangevoerd dat voor een deel van de periode geen geldige grondslag bestond om het hogere percentage toe te passen, omdat de beschikking was genomen vóór de verhoging. 

Hoge Raad

De Hoge Raad beslist over de vraag of de in deze zaak toegepaste belastingrente correct is vastgesteld. Voor een langere eerdere periode merkt de Hoge Raad op dat een minimumrentepercentage van 4% van toepassing was. Volgens de Hoge Raad is dit percentage niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. 

Ten aanzien van een latere periode komt de Hoge Raad tot een ander oordeel. De Hoge Raad merkt op dat belastingheffing en het in rekening brengen van belastingrente alleen zijn toegestaan wanneer daarvoor op het moment van vaststelling een geldige juridische grondslag bestaat. Dit uitgangspunt geldt niet alleen bij nieuwe regelingen, maar ook wanneer bestaande regelingen worden uitgebreid, bijvoorbeeld door verhoging van een rentepercentage. Volgens de Hoge Raad mag de inspecteur in dat geval vóór de inwerkingtreding van de verhoging geen hoger bedrag vaststellen dan volgt uit de op dat moment geldende regeling.

In deze zaak was bij het vaststellen van de rentebeschikking nog een lager rentepercentage van kracht, terwijl het hogere percentage pas later ging gelden. Volgens de Hoge Raad ontbrak daarom de bevoegdheid om in die beschikking al uit te gaan van het hogere percentage, ook al had de beschikking betrekking op een periode waarin dat hogere percentage later van toepassing werd. Dat de verhoging vooraf kenbaar was of dat een eerdere verlaging als tijdelijk was bedoeld, maakt dit niet anders.

De Hoge Raad beslist dat voor deze latere periode het lagere rentepercentage moet worden toegepast en vermindert de in rekening gebrachte belastingrente.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.