Box 3-wetsvoorstel aangenomen door Tweede Kamer

Vanaf 2028 een gecombineerde vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting

Eind vorige week heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen. Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel gaat uit van de invoering van een gecombineerde vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028. Maar wellicht volgt vrij snel daarna alweer een box 3-heffing enkel op basis van vermogenswinsten.  

Huidige regeling

De belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen is geregeld in box 3 van de inkomstenbelasting. Op dit moment kent box 3 twee regelingen die naast elkaar bestaan. 

In de eerste plaats is dat het “oude” systeem waarin het belastbare inkomen wordt vastgesteld aan de hand van een in de wet opgenomen forfaitair rendement met een specifiek rendementspercentage voor banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor 2026 wordt ervan uitgegaan dat op spaartegoeden een rendement van 1,44% wordt behaald en op overige bezittingen een rendement van 6%. 

Daarnaast is er een tegenbewijsregeling. Als je aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement van de bezittingen en schulden lager is dan het forfaitair vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen gesteld op het werkelijke rendement. Dat werkelijke rendement moet overigens wel ruim worden opgevat. Het bestaat naast reguliere voordelen zoals rente, huur en dividend, ook uit de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. Dat een vermogensaanwas in aanmerking moet worden genomen, betekent bijvoorbeeld dat de koerswinst op beursgenoteerde aandelen belast wordt, zelfs als die aandelen aan het einde van het jaar nog niet zijn verkocht. Aan de andere kant mag een koersverlies (een negatieve vermogensaanwas) ook in aanmerking worden genomen. Kosten (anders dan rentelasten) mogen niet in aftrek worden genomen.

Nieuwe regeling 

De bedoeling is dat de nieuwe regeling die vorige week door de Tweede Kamer is aangenomen per 1 januari 2028 in werking treedt. Vanaf die datum wordt in box 3 dan enkel belasting geheven over het werkelijke rendement. Dat bestaat ook weer uit reguliere voordelen zoals rente, huur en dividend en uit de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. 

Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt echter geen vermogensaanwasbelasting, maar een vermogenswinstbelasting. Dat betekent dat een waardetoename van vastgoed en belangen in start-ups pas wordt belast zodra die toename daadwerkelijk wordt vervreemd (bijvoorbeeld bij verkoop). 

Hoewel het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen, was de Tweede Kamer wel terughoudend. Sommige partijen hebben nog wel moeite met de vermogensaanwasbelasting waarbij belasting wordt geheven over een vermogenstoename, zonder dat die toename daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Ook is erop gewezen dat de nieuwe regeling voor de Belastingdienst lastig uitvoerbaar is. 

Verdere ontwikkelingen 

De Tweede Kamer heeft aangegeven dat het box 3-stelsel moet worden doorontwikkeld naar een vermogenswinstbelasting, bij voorkeur al vanaf 2029. In het coalitieakkoord hebben D66, VVD en CDA ook aangegeven lange-termijnbeleggingen te willen stimuleren door het nieuwe box 3-stelsel op basis van het werkelijke rendement door te ontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek. Daarmee lijkt het box 3-stelsel dat per 1 januari 2028 in werking moet treden geen eindstation.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.