Eerste voorjaarsnota nieuwe kabinet

Twee nieuwe constructies op lijst met opmerkelijke belastingconstructies

Op 27 maart heeft het nieuwe kabinet zijn eerste Voorjaarsnota gepresenteerd. Het kabinet ziet deze Voorjaarsnota als de Startnota van het kabinet. Het is de vertaling van de financiële afspraken uit het coalitieakkoord.

In de Voorjaarsnota wordt ook ingegaan op belastingmaatregelen. Ook in deze Voorjaarsnota komen de opmerkelijke belastingconstructies aan de orde, met twee nieuwe constructies. 

Monitoring en toetsing van fiscale regelingen

De Voorjaarsnota bevat een algemene beschouwing van het effect van fiscale maatregelen op de begroting. Regelingen zoals vrijstellingen, aftrekposten en verlaagde tarieven die de belastingopbrengst verkleinen, worden jaarlijks gemonitord in de Miljoenennota. Substantiële afwijkingen worden in de monitoring apart benoemd en geven in beginsel aanleiding tot het nemen van maatregelen om beter aan te sluiten bij het eerder geraamde budget.

Ook vinden evaluaties plaats van fiscale regelingen. Deze worden in de Miljoenennota en begrotingen gepubliceerd. Indien een fiscale regeling negatief geëvalueerd wordt, is het uitgangspunt om deze regeling af te schaffen of aan te passen. 

Opmerkelijke belastingconstructies

Sinds 2023 bevat de Voorjaarsnota een overzicht van opmerkelijke belastingconstructies. De huidige lijst bevat de zeven constructies van de lijst van vorig jaar. Daar zijn twee nieuwe constructies aan toegevoegd. 

Bekende constructies

1.     Samenwerkingsverband ondernemer met eigen BV

Als een directeur-grootaandeelhouder (dga) zijn onderneming uitoefent in een BV, is de winst belast met vennootschapsbelasting. Ook moet een (gebruikelijk) loon in aanmerking worden genomen en zijn dividenduitkeringen belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Als een dga een samenwerkingsverband aangaat met zijn BV, wordt in box 1 van de inkomstenbelasting winst uit onderneming in aanmerking genomen. De dga kan dan gebruik maken van de MKB-winstvrijstelling en onder voorwaarden ook van de ondernemersfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek. 

Op dit moment wordt een aanpak van deze constructie onderzocht. Een mogelijke aanpak ziet erop dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van deze fiscale ondernemersfaciliteiten als winst uit een dergelijk samenwerkingsverband wordt genoten. 

2.     Dividendstripping

Dividendbelasting wordt geheven over opbrengsten, zoals dividenden, die aandeelhouders behalen uit aandelen in een vennootschap die in Nederland is gevestigd. Bij dividendstripping worden de economische en juridische gerechtigdheid tot dividenden opgesplitst om een dividendbelastingvoordeel te behalen.

Op 1 januari 2024 is een aantal maatregelen in werking getreden om de Belastingdienst beter in staat te stellen dividendstripping te bestrijden. Daarbij is ook een onderzoek aangekondigd naar aanvullende maatregelen tegen dividendstripping. Op 27 juni 2025 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dat onderzoek. Uit het onderzoek komen vier mogelijke maatregelen naar voren. Deze worden uitgewerkt in een consultatiedocument dat naar verwachting dit voorjaar in internetconsultatie wordt gegeven.

3.     Opknippen vastgoed-BV’s om maximaal te profiteren van renteaftrek

De earningsstrippingmaatregel is een renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting. De regeling beperkt de aftrekbaarheid van het verschil tussen de rentelasten en de rentebaten van geldleningen (saldo aan renten).

Het saldo aan renten is niet aftrekbaar voor zover dat meer bedraagt dan het hoogste van 24,5% van de gecorrigeerde winst (EBITDA) of de drempel van € 1 miljoen. Vanwege deze drempel kunnen bedrijven overwegen om met vreemd vermogen gefinancierde investeringen op te knippen over verschillende vennootschappen en daarmee de rentelasten zodanig te alloceren dat het saldo aan renten onder de drempelwaarde blijft. De Belastingdienst ziet dit in de praktijk inderdaad ook gebeuren.

Om dit opknipgedrag te bestrijden werd in het Belastingplan 2025 voorgesteld om de drempel van de earningsstrippingmaatregel voor vastgoedlichamen met (aan derden) verhuurd vastgoed buiten toepassing te laten. Deze antifragmentatiemaatregel is later echter weer uit het wetsvoorstel geschrapt. Op 26 juni 2025 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd dat er drie maatregelen om het ontwijken van de earningsstrippingmaatregel door fragmentatie nader worden onderzocht. Het streven is de Tweede Kamer in april 2026 over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren.

4.     Lucratiefbelangregeling

Managers in met name de private-equitysector ontvangen als onderdeel van hun beloningsstructuur vaak vermogensbestanddelen waarmee zij hoge rendementen kunnen behalen (ook wel "carried interest" genoemd). Een dergelijk rendement is als hoofdregel belast in box 1 van de inkomstenbelasting. De belastingplichtige kan er echter voor kiezen om deze heffing in te ruilen voor een heffing in box 2, onder de voorwaarde dat de belastingplichtige het lucratief belang inbrengt in een kapitaalvennootschap (de aanmerkelijkbelangvariant).

In het Belastingplan 2026 is opgenomen dat de grondslag voor inkomen uit een lucratief belang wordt verbreed door middel van een multiplier voor gevallen waarin voordelen vanwege toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant in box 2 zijn belast. Hiermee wordt de facto voor de hoogte van de belastingdruk op deze voordelen aangesloten bij het tarief in box 3 (36%). De inwerkingtreding van deze maatregel is overigens uitgesteld tot 1 januari 2028. 

5.     Vruchtensappen met "een vleugje zuivel"

Om in aanmerking te komen voor een uitzondering op de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken, voegden producenten aan vruchten- en groentesappen of frisdranken een geringe hoeveelheid zuivel toe. Om dit aan te pakken is de zuiveluitzondering in het Belastingplan 2026 aangepast. 

6.     Wijziging gerechtigdheid tot het vermogen van de huwelijksgemeenschap in het zicht van het overlijden van een van de echtgenoten 

Uit een arrest van de Hoge Raad bleek dat het mogelijk is om erfbelasting te ontwijken door in huwelijkse voorwaarden de gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap aan te passen. 

Het kabinet vond het onwenselijk dat echtgenoten door middel van een ongelijke breukdelengemeenschap of een verrekenbeding met ongelijke breukdelen vermogen onbelast over kunnen laten gaan. Om deze onbelaste vermogensovergangen tegen te gaan is in het Belastingplan 2026 daarom vastgelegd dat hetgeen aan een echtgenoot bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap meer toekomt dan de helft van die gemeenschap, belast wordt met erf- of schenkbelasting. De heffing vindt niet plaats bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden, maar bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap of verrekening van het vermogen.

Deze maatregel is overigens niet van toepassing in geval van huwelijkse voorwaarden waarin reeds voor 16 september 2025, 16:00 uur een ongelijke breukdelengemeenschap of een verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen. 

7.     Onbelaste toegang tot lijfrentekapitaal

Premies betaald voor een lijfrente zijn onder voorwaarden aftrekbaar. In de praktijk kan het voorkomen dat een lijfrente waarvoor premies in aftrek zijn gebracht niet (langer) voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Dit kan ertoe leiden dat een dergelijke lijfrente onbelast kan worden genoten.

Volgens het kabinet is het onwenselijk als een lijfrente niet kan worden belast, terwijl de premies wel in aftrek zijn gebracht. Daarom is wettelijk vastgelegd dat voor niet (langer) kwalificerende lijfrenten geldt dat indien een dergelijke lijfrente tot uitkering komt, deze uitkeringen worden aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Dit heeft tot gevolg dat de uitkeringen in de belastingheffing betrokken kunnen worden.  

Nieuwe constructies 

1.     Schenk- en erfbelasting bij papieren schenkingen 

Papieren schenkingen stellen de schenker in staat om een schenking te doen zonder het geschonken vermogen direct uit te betalen. Meestal is het een (groot)ouder die schenkt aan een (klein)kind. Papieren schenkingen worden hetzelfde belast als reguliere schenkingen. 

De begiftigde krijgt een vordering op de schenker. De schenker moet jaarlijks 6% rente betalen over het schuldig gebleven bedrag. 

Het kabinet merkt op dat papieren schenkingen de grondslag voor de erfbelasting kunnen uithollen. Bij overlijden van de schenker is een deel van zijn vermogen al via de rentebetalingen overgegaan naar zijn nabestaanden. Daarnaast vormen papieren schenkingen een schuld van de nalatenschap van de schenker en drukken daarmee de waarde van zijn nalatenschap en daardoor de grondslag voor de erfbelasting. Door die lagere grondslag valt een lager bedrag onder het progressieve tarief.

Bekeken wordt of het mogelijk is om het rentepercentage van 6% te actualiseren, waardoor deze effectief lager uitvalt. Daarnaast wordt bekeken of het mogelijk is om het bedrag van papieren schenkingen dat tijdens leven wordt afgelost of dat opeisbaar is na overlijden, hetzelfde (progressief) te belasten als wanneer die geldoverdracht of dat overlijden had plaatsgevonden zonder voorafgaande papieren schenking.

2.     Schenkbelasting bij leningen met onzakelijke voorwaarden

Schenkbelasting wordt geheven over de waarde van verkrijgingen krachtens schenking. Een renteloze of laagrentende lening die is verstrekt aan een natuurlijk persoon (bijvoorbeeld het kind van de leninggever) is vanwege de lage rente een bevoordeling van de leningnemer, maar is geen schenking van de hoofdsom. 

Als de leningnemer een natuurlijk persoon is, wordt het rentevoordeel aangemerkt als vruchtgebruik en als zodanig belast. Dit betekent, kort gezegd, dat de omvang van de gift wordt gesteld op 6% van de hoofdsom minus de overeengekomen rente. De uitkomst wordt vervolgens belast.

Volgens het kabinet worden in de praktijk leningen met onzakelijke voorwaarden verstrekt waarbij – gezien het risico – een passend rentepercentage (ruim) hoger is dan 6%, terwijl de overeengekomen rente lager is. In die gevallen blijft heffing echter beperkt tot het verschil tussen het overeengekomen percentage en 6% en blijft heffing in het geheel achterwege als het overeengekomen rentepercentage ten minste 6% is. Het kabinet wijst erop dat een maatregel die de materiële bevoordeling belast deze constructie kan aanpakken. Een dergelijke maatregel wordt op dit moment onderzocht.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.