Evaluatie jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling

Rapport beveelt aan om hoogte vrijstelling in samenhang met andere vrijstellingen binnen schenkbelasting te heroverwegen

De staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de evaluatie van de jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling naar de Tweede Kamer gestuurd. Uit de evaluatie blijkt dat de wetgever de hoogte van de ouder-kindschenkvrijstelling niet heeft gemotiveerd vanuit de doelstellingen die ze in 1917 aan de vrijstelling heeft meegegeven. De onderzoekers wijzen er op dat bovendien de samenleving sindsdien is veranderd. Een verschil in de hoogte van de schenkvrijstelling tussen kinderen en overige verkrijgers is volgens hen minder vanzelfsprekend dan begin vorige eeuw. Het rapport beveelt daarom aan om de hoogte van de vrijstelling in samenhang met de andere vrijstellingen binnen de schenkbelasting te heroverwegen. Daarbij kan overwogen worden om de schenk- en erfbelasting relatieonafhankelijker te maken.

De staatssecretaris legt uit dat de schenkbelasting jaarlijkse een vrijstelling van € 2.769 (bedrag 2026) kent. Schenkingen van ouders aan hun kinderen genieten een hogere jaarlijkse vrijstelling van € 6.908 (bedrag 2026). 

De staatssecretaris merkt op dat de hogere schenkvrijstelling voor kinderen ten opzichte de vrijstelling zoals die voor andere verkrijgers geldt, voor het eerst geëvalueerd is in het kader van de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE). 

De evaluatie is uitgevoerd door het ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst. Een onafhankelijke deskundige van het Centraal Planbureau heeft meegelezen op de resultaten. De evaluatie is mede gebaseerd op de uitkomsten van een enquête waarin burgers is gevraagd naar hun schenkgedrag. 

De staatssecretaris geeft aan dat uit de evaluatie blijkt dat de doelstellingen die door de wetgever aan de schenkvrijstelling zijn meegegeven bereikt worden. De doelmatigheid van de schenkvrijstelling is volgens de bewindsman beoordeeld als hooguit beperkt. 

De staatssecretaris laat weten dat de uitkomsten van de evaluatie de komende tijd worden gewogen. Zoals beschreven in de begrotingsregels van het kabinet geldt als uitgangspunt dat voor een negatief geëvalueerde fiscale regeling moet worden bezien of de regeling wordt afgeschaft, versoberd, hervormd of gemotiveerd gehandhaafd. In het tweede kwartaal van 2026 volgt een kabinetsreactie.

De gehele evaluatie vindt u hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.