Beperkte effecten verwacht op luchtvaart, economie en klimaat bij invoering afstandsafhankelijke vliegbelasting
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk schriftelijk antwoord gegeven op vragen van de vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer over het onderzoek “Effecten van een afstandsafhankelijke vliegbelasting” van CE Delft.
De staatssecretaris geeft aan dat in het wetsvoorstel Wet differentiatie vliegbelasting is opgenomen dat de vliegbelasting per 1 januari 2027 wordt gedifferentieerd naar afstand op basis van de eindbestemming van de passagier. Daarmee worden langere vluchten duurder, in lijn met de systematiek die ook in andere Europese landen, zoals Duitsland, wordt gehanteerd. Het doel van de maatregel is zowel budgettair als milieugericht: de opbrengst van de vliegbelasting stijgt structureel met € 257 miljoen (prijspeil 2025) en de externe kosten van langeafstandsvluchten worden sterker geïnternaliseerd.
De staatssecretaris merkt op dat de Nederlandse luchtvaartsector kampt met capaciteitsrestricties, zoals het plafond van 478.000 vliegtuigbewegingen op Schiphol. Hierdoor leidt een lagere vraag naar vliegreizen niet automatisch tot minder vluchten, omdat latente vraag dit grotendeels opvangt. Volgens de bewindsman blijkt uit onderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) dat ongeveer 13% van de Nederlandse reizigers vanaf een buitenlandse luchthaven vertrekt, een percentage dat sinds 2018 vrijwel stabiel is. De signalen over uitwijkende passagiers nemen wel toe, waardoor het kabinet de ontwikkeling blijft monitoren.
Uit het CE Delft-onderzoek blijkt dat het totaal aantal passagiers vanaf Nederlandse luchthavens door invoering van de maatregel in 2030 met 0,2% daalt. Ongeveer een kwart van deze reizigers wijkt uit naar buitenlandse luchthavens, terwijl de rest kiest voor andere vervoersmodaliteiten of helemaal niet meer vliegt. Het totale aantal vluchten blijft gelijk door de bestaande capaciteitsbeperkingen.
De staatssecretaris geeft aan dat Nederland bij voorkeur inzet op internationale coördinatie van de vliegbelasting om het level playing field te waarborgen. Binnen Europa zijn veel landen al overgegaan op vergelijkbare heffingen. Voor Europese vluchten blijft het Nederlandse tarief relatief hoog; voor langeafstandsvluchten ligt het tarief juist lager dan in omliggende landen. De bewindsman benadrukt dat de effecten op werkgelegenheid en economische activiteit verwaarloosbaar zijn. Volgens CE Delft blijft de netwerkkwaliteit van de Nederlandse luchtvaart grotendeels intact, en verandert het aantal vliegtuigbewegingen niet wezenlijk. Voor langeafstandsvluchten, waarvoor geen spooralternatief bestaat, is de maatregel niet bedoeld als stimulans voor modal shift, maar voor het internaliseren van klimaatschade, geluidsoverlast en gezondheidseffecten.
De staatssecretaris wijst erop dat het CE Delft-onderzoek een daling van 1,9% in CO₂-uitstoot en 2,8% in non-CO₂-emissies voorspelt. De zogeheten “grijze kilometers” van uitwijkende reizigers naar buitenlandse luchthavens zijn hierin meegenomen.
Tot slot geeft de staatssecretaris aan dat het kabinet de effecten van de maatregel op passagiersaantallen, opbrengsten en netwerkkwaliteit nauwlettend zal volgen. De resultaten hiervan worden betrokken bij de evaluatie van de maatregel en bij eventuele toekomstige beleidsaanpassingen.
De gehele brief vindt u hier.