Hoge Raad bevestigt dat de looptijd van de expatregeling verkort mocht worden

De Hoge Raad heeft duidelijkheid verschaft over de vraag of de wetgever de looptijd van de 30%-regeling, die nu de expatregeling wordt genoemd, mocht verkorten.  

In het Belastingplan 2019 is bepaald dat per 1 januari 2019 de looptijd van de 30%-regeling zou worden verkort van 8 jaar naar 5 jaar, nadat de looptijd eerder per 2012 al was verkort van 10 jaar naar 8 jaar. Hoewel werd voorzien in overgangsrecht, had deze verkorting ook effect voor (een deel van de) al afgegeven beschikkingen. Dit was dan ook de kern van het geschil dat bij de Hoge Raad voorlag. Belanghebbenden waren van mening dat zij mochten vertrouwen op de oorspronkelijk toegekende beschikking met de daarop vermelde looptijd van acht jaren. 

Gezien de wijzigingen in de looptijd zoals opgenomen in het Belastingplan 2019, heeft de Belastingdienst in december 2018 brieven verstuurd aan belastingplichtigen met een 30%-beschikking om hen te informeren over de gevolgen van het aangenomen wetsvoorstel tot wijziging van de looptijd van de 30%-regeling, en wat de gevolgen daarvan zijn. In die brief is vermeld dat een overgangsregeling geldt, en dat de nieuwe einddatum van de 30%-regeling afhangt van de einddatum op de beschikking die de betrokkene indertijd heeft gekregen. Uit een overzicht dat in deze brief is opgenomen, volgt dat in gevallen zoals bij belanghebbenden, waarin de einddatum van die beschikking valt in 2021, de nieuwe einddatum 31 december 2020 zou zijn.

Belanghebbenden voerden aan dat de wetgever door de aanpassing in te voeren zonder ruim overgangsrecht, ingreep in bestaande rechtsposities op een wijze die in strijd zou zijn met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De wetgever had er immers bewust voor gekozen slechts een beperkt overgangsrecht op te nemen, waardoor een aanzienlijk aantal belanghebbenden sneller dan voorzien hun recht op de 30%-vergoeding zou verliezen.

De Hoge Raad stelt in zijn beoordeling echter voorop dat de wetgever een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt bij het vormgeven, wijzigen of afbouwen van fiscale faciliteiten. Deze vrijheid reikt ver, juist omdat het gaat om een gunstige regeling waarvoor geen rechtens afdwingbare aanspraak bestaat, maar waarvan het voortbestaan afhankelijk is van beleidsmatige en budgettaire afwegingen. De rechter toetst dergelijke wetgeving daarom terughoudend en ziet slechts aanleiding tot ingrijpen wanneer de wetgever evident geen redelijke belangenafweging heeft gemaakt.

In dit geval oordeelt de Hoge Raad dat daarvan geen sprake is. De verkorting van de looptijd is volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd vanuit het doel van de maatregel — het beperken van de budgettaire lasten. De keuze om slechts beperkt overgangsrecht te bieden kan niet worden aangemerkt als evident onredelijk. Hoewel de wijziging voor betrokken werknemers nadelige financiële gevolgen kan hebben, acht de Hoge Raad dit niet disproportioneel in het licht van de beleidsdoelstellingen. Evenmin is sprake van verboden terugwerkende kracht: de wetgever heeft de wijziging immers uitsluitend werking toegekend voor toekomstige perioden, ondanks het feit dat reeds lopende beschikkingen hierdoor eerder eindigen dan oorspronkelijk toegezegd.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.