Tweede Kamer stemt in met een nieuw box 3-systeem per 2028, maar uit forse kritiek op de gekozen vorm, het tempo en de uitvoerbaarheid
De Tweede Kamer heeft zich maandag gebogen over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Een meerderheid is bereid het voorstel te steunen, al gebeurt dat met duidelijke tegenzin. Veel fracties benadrukken dat hun steun vooral voortkomt uit het ontbreken van haalbare alternatieven en de aanzienlijke budgettaire gevolgen van uitstel.
Het nieuwe stelsel moet in 2028 in werking treden en vervangt het huidige systeem waarin wordt uitgegaan van veronderstelde rendementen. Die benadering kwam na meerdere rechterlijke uitspraken onder druk te staan. In de nieuwe opzet worden belastingplichtigen in box 3 in beginsel belast over het daadwerkelijk behaalde rendement op hun vermogen. De wijze waarop dat rendement wordt belast, verschilt per vermogenscategorie. Voor spaargeld en de meeste financiële beleggingen, zoals aandelen, obligaties en crypto, geldt een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat jaarlijks wordt geheven over zowel gerealiseerde als niet-gerealiseerde waardeveranderingen. Voor vastgoedbeleggingen en aandelen in start-ups wordt daarentegen uitgegaan van een vermogenswinstbelasting, waarbij pas bij verkoop wordt afgerekend. Bij vastgoed mogen kosten in aftrek worden gebracht, maar voor eigen gebruik geldt een fictieve huurwaarde, de zogenoemde vastgoedbijtelling. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het wetsvoorstel zie ook EYFN 2025/36 en EYFN 2025/21.
Juist deze combinatie van systemen stuit op brede kritiek. Partijen als VVD, CDA, JA21, BBB en PVV pleiten voor één uniform systeem waarbij belastingheffing pas plaatsvindt bij verkoop van het bezit. GroenLinks-PvdA kiest de tegenovergestelde benadering en wil alle waardestijgingen belasten, ook als die nog niet zijn verzilverd. Volgens die fractie is dat economisch minder verstorend en beter uitvoerbaar.
De Staatssecretaris van Financiën kwalificeert het wetsvoorstel zelf als een tussenstap. Het kabinet ziet een volledige vermogenswinstbelasting als einddoel, maar acht invoering daarvan per 2028 technisch en organisatorisch niet haalbaar. Tegelijkertijd voelt de Kamer zich onder druk gezet door de harde deadline. Als het wetsvoorstel niet uiterlijk half maart wordt aangenomen, dreigt in 2028 een begrotingstekort van circa € 2,4 miljard. Een directe overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting zou in de eerste jaren bovendien miljarden aan inkomsten schelen.
Naast de inhoudelijke bezwaren leven er zorgen over de uitvoerbaarheid. De Belastingdienst schat minimaal 900 extra medewerkers nodig te hebben om het nieuwe stelsel te kunnen uitvoeren. Door het krappe tijdpad is er weinig ruimte voor ingrijpende wijzigingen. Desondanks lijkt een Kamermeerderheid zich, mede vanwege de financiële consequenties van uitstel, neer te leggen bij dit tussenstation op weg naar een nieuw box 3-regime.