Staatssecretaris schetst werking, haalbaarheid en aandachtspunten van voorgestelde minimum vermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen en plaatst dit in nationaal en internationaal perspectief
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de Tweede Kamer geïnformeerd over het voorstel van de Franse econoom Gabriel Zucman voor een minimum vermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen. In zijn brief gaat hij in op de inhoud van dit voorstel, de mogelijke opbrengst, de juridische en uitvoeringsaspecten en de internationale context waarin dit voorstel moet worden bezien.
Voorstel
De staatssecretaris geeft aan dat het voorstel van Zucman inhoudt dat personen of huishoudens met een nettovermogen van ten minste € 100 miljoen jaarlijks minimaal 2% van dat vermogen aan belasting zouden moeten betalen. Daarbij wordt gekeken naar alle direct betaalde belastingen in een jaar. Als deze belastingen lager uitvallen dan 2% van het totale vermogen, zou het verschil moeten worden bijgeheven. Wanneer de betaalde belastingen hoger zijn dan dit minimum, volgt geen aanvullende heffing.
De staatssecretaris merkt op dat dit voorstel beoogt te waarborgen dat zeer vermogende personen jaarlijks een minimum aan belasting betalen, ook in jaren waarin het belastbare inkomen relatief laag is. Volgens de bewindsman is de gedachte hierachter dat juist de meest vermogenden hun belastingdruk kunnen beperken doordat hun inkomen grotendeels bestaat uit aandelenbezit en ingehouden winsten, terwijl het inkomen van de meeste mensen voornamelijk uit arbeid bestaat.
De staatssecretaris benadrukt dat het voorstel een wezenlijk andere manier van belastingheffing is dan Nederland gewend is. De betaalde belasting kan van jaar tot jaar sterk fluctueren, bijvoorbeeld door wisselende winsten of verliezen van ondernemingen en het uitstellen van belastingheffing bij niet-gerealiseerde vermogenswinsten. Dat kan volgens de bewindsman een logisch gevolg zijn van de huidige belastingheffing en hoeft niet te wijzen op belastingontwijking.
Uitvoering
Volgens de staatssecretaris is het op dit moment niet goed mogelijk om een betrouwbare schatting te maken van de opbrengst van een minimum vermogensbelasting. Hiervoor zijn keuzes nodig over de vormgeving en aannames over gedragseffecten. Daarnaast is gedetailleerde informatie nodig over de samenstelling en waarde van grote vermogens, inclusief buitenlands vermogen. Die informatie is niet altijd beschikbaar of eenvoudig te verkrijgen. De staatssecretaris merkt op dat de uitvoering aanzienlijke uitdagingen kent, met name bij de waardering van niet-beursgenoteerde aandelen en andere moeilijk te waarderen vermogensbestanddelen. Ook het toerekenen van vermogen in vennootschappen aan achterliggende aandeelhouders en het verkrijgen van inzicht in buitenlands vermogen vormen belangrijke knelpunten voor de Belastingdienst.
Volgens de bewindsman pleit Zucman idealiter voor een wereldwijde minimum vermogensbelasting. Zolang die er niet is, zouden landen ook een nationale variant kunnen invoeren. Om te voorkomen dat zeer vermogenden emigreren om de belasting te ontwijken, wordt een verlengde belastingplicht na emigratie voorgesteld. De staatssecretaris geeft echter aan dat de effectiviteit daarvan beperkt is, onder meer door belastingverdragen en internationale afspraken. De staatssecretaris merkt verder op dat een generieke brede vermogensbelasting een mogelijk alternatief is, maar dat ook daarbij aanzienlijke juridische en uitvoeringstechnische risico’s bestaan. Met name de jaarlijkse waardering van grote vermogens en de handhaafbaarheid spelen hierbij een rol.
Internationale samenwerking
De staatssecretaris geeft aan dat Nederland inzet op internationale samenwerking om belastingontwijking door zeer vermogende personen tegen te gaan. Daarbij ligt de nadruk op meer transparantie over vermogensbezit, betere informatie-uitwisseling en het aanpakken van schadelijke belastingregimes. Internationaal bestaat op dit moment weinig steun voor een wereldwijde vermogensbelasting.
Reeds genomen maatregelen en blijvende aandacht
Tot slot benadrukt de staatssecretaris dat de belastingdruk van zeer vermogenden blijvende aandacht heeft binnen het kabinet. Hij wijst op reeds genomen maatregelen die bijdragen aan een evenwichtiger belastingdruk tussen arbeid en vermogen. Een van de belangrijkste maatregelen betrof volgens de bewindsman het verhogen van het lage vennootschapsbelastingtarief van 15% naar 19% en het verlagen van de bijbehorende schrijfgrens van € 395.000 naar € 200.000. Ook wijst de staatssecretaris op de invoering van de Wet excessief lenen waardoor leningen van meer dan € 500.000 worden belast in box 2 als dividenduitkering en de introductie van een progressief tarief in box 2. De staatssecretaris geeft aan dat dit jaar de evaluatie van de Wet excessief lenen plaatsvindt en in 2027 de evaluatie van het progressieve box 2 tarief volgt. Volgens de staatssecretaris mag aangenomen worden dat deze maatregelen hebben geleid tot een evenwichtiger belastingdruk op de inkomens uit van de meest vermogende huishoudens in Nederland. Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is volgens de bewindsman een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.