Hoge Raad bevestigt dat zowel artikel 10a als fraus legis toepassing vinden bij volstrekt kunstmatige structuren, ook indien sprake is van een compenserende buitenlandse heffing
De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld dat bij de beoordeling van renteaftrek zowel de wettelijke renteaftrekbeperking als het leerstuk fraus legis moet worden toegepast aan de hand van dezelfde Unierechtelijke misbruikmaatstaf. Daarbij kan renteaftrek worden geweigerd indien aan de schuld of de samenhangende rechtshandelingen onvoldoende zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, ook wanneer over de rentebate in het buitenland een substantiële heffing plaatsvindt. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat – voor zover rente niet reeds via de specifieke renteaftrekbeperking wordt gecorrigeerd – toetsing aan fraus legis mogelijk blijft en dat de gezamenlijke toepassing van beide leerstukken verenigbaar is met het Unierecht.
Feiten en omstandigheden
De zaak betreft een in Nederland gevestigde vennootschap die fungeerde als joint venture tussen een Nederlandse en een Franse bank. Een Luxemburgse groepsvennootschap, behorend tot de Franse bank, kocht deze Nederlandse vennootschap als plankvennootschap om een investeringsstructuur op te zetten. De Nederlandse vennootschap werd grotendeels gefinancierd met leningen van de Luxemburgse groepsvennootschap en slechts beperkt met eigen vermogen.
Een deel van deze leningen had een limited recourse karakter, waarbij rente en aflossing afhankelijk waren van de opbrengsten op aandelen. Met de verkregen middelen investeerde de Nederlandse vennootschap enerzijds in een omvangrijke obligatieportefeuille van door derden uitgegeven obligaties. Anderzijds investeerde zij in gewone en preferente aandelen in een Luxemburgse dochtervennootschap. Op de preferente aandelen ontving zij dividenden, die in Nederland waren vrijgesteld van belastingheffing. Dezelfde vergoedingen waren bij de Luxemburgse dochtervennootschap fiscaal aftrekbaar. Tegenover de dividendinkomsten stonden aanzienlijke rentelasten op de limited recourse leningen, die de Nederlandse vennootschap volledig in aftrek bracht. De inspecteur corrigeerde deze renteaftrek, waarna rechtbank en hof oordeelden dat de renteaftrek geheel of gedeeltelijk moest worden geweigerd.
Renteaftrekbeperking art. 10a Wet VPB en fraus legis
De rente die een debiteur betaalt als vergoeding op een lening is in beginsel aftrekbaar van de fiscale winst. Nederland kent in de vennootschapsbelasting echter diverse renteaftrekbeperkingen, waaronder art. 10a Wet VPB. Art. 10a komt aan bod als er sprake is van een lening van een verbonden lichaam (belang van tenminste één-derde) die verband houdt met één van de in de wet genoemde (besmette) rechtshandelingen: een dividenduitkering, terugbetaling van kapitaal, kapitaalstorting of (externe of interne) acquisitie. In een dergelijk geval is de rente op de lening in beginsel niet aftrekbaar.
Renteaftrek is echter wel mogelijk indien de belastingplichtige een geslaagd beroep doet op één van de tegenbewijsregelingen. Een belastingplichtige voldoet aan de tegenbewijsregeling:
- als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de geldlening en de daarmee verband houdende (besmette) rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (dubbele zakelijkheidstoets), of
- indien sprake is van een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing (tenminste 10%) over de rentebate op het niveau van de crediteur, zij het dat dan de rente toch weer niet aftrekbaar is als de inspecteur aannemelijk maakt dat aan de rechtshandeling of de lening niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (ook wel tegen-tegenbewijsregeling genoemd).
Er is veel jurisprudentie over de renteaftrekbeperking, met name over de toepassing van de tegenbewijsregeling. In onderhavige zaak is onder meer de tegen-tegenbewijsregeling aan de orde.
Verder kan de rente niet aftrekbaar zijn op grond van fraus legis. Er is sprake van fraus legis als een belastingplichtige in strijd met doel en strekking van de wet handelt (normvereiste) en belastingbesparing zijn doorslaggevende motief is (motiefvereiste).
Overwegingen van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt onder meer dat het feit dat in Luxemburg over de rentebate een relatief hoge heffing plaatsvond, niet uitsluit dat toch kan worden toegekomen aan de tegen-tegenbewijsregeling. De renteaftrek kan worden geweigerd wanneer onvoldoende zakelijke overwegingen aan de schuld of samenhangende rechtshandelingen ten grondslag liggen.
Volgens de Hoge Raad kon het hof daarnaast, voor zover rente niet al langs de specifieke renteaftrekbeperking (art. 10a) werd gecorrigeerd, terecht toetsen aan fraus legis. De Hoge Raad geeft aan dat een compenserende heffing niet in de weg staat aan de mogelijkheid dat (buiten de afgebakende art. 10a “structuur” van lening en besteding) sprake is van gekunsteldheid die leidt tot strijd met doel en strekking van de wet als geheel, waarbij winst en kunstmatig gecreëerde rentelasten zodanig worden samengebracht dat heffing op willekeurige en voortdurende wijze wordt verijdeld.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat toepassing van zowel de wettelijke renteaftrekbeperking als fraus legis niet in strijd is met het Unierecht. De Hoge Raad beslist dat fraus legis naar dezelfde maatstaven moet worden uitgelegd en toegepast als de wettelijke renteaftrekregeling: beoordeeld moet worden of (een onderdeel van) een samenstel van rechtshandelingen een volstrekt kunstmatig karakter heeft en specifiek is bedoeld om belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd zou zijn over nationale winsten.