Staatssecretaris ziet geen aanleiding om vormgeving startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting aan te passen
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk gereageerd op een motie over de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting en op de motie over woningmarkteffecten bij fiscaal beleid.
Woningmarkteffecten
De staatssecretaris geeft aan dat het kabinet de motie over woningmarkteffecten ziet als een bevestiging van het bestaande beleid. Bij de voorbereiding van fiscale wetgeving en beleid wordt structureel aandacht besteed aan mogelijke neveneffecten, waaronder de gevolgen voor de woningmarkt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen generiek fiscaal beleid en specifiek fiscaal woningmarktbeleid. Volgens de bewindsman worden woningmarkteffecten al in een vroeg stadium betrokken bij de beleidsvoorbereiding en inzichtelijk gemaakt richting het parlement, zodat deze kunnen worden meegewogen in de besluitvorming.
Startersvrijstelling
Vervolgens gaat de staatssecretaris in op de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting. Deze vrijstelling is ingevoerd om de positie van koopstarters te versterken ten opzichte van beleggers en maakt onderdeel uit van een breder pakket aan maatregelen gericht op de woningmarkt. De vrijstelling geldt voor natuurlijke personen die aan een aantal cumulatieve voorwaarden voldoen, zoals een leeftijdsgrens, het gebruik van de woning als hoofdverblijf, een woningwaardegrens en het eenmalige karakter van de vrijstelling.
Volgens de bewindsman blijkt uit evaluatieonderzoek dat de differentiatie in de overdrachtsbelasting als geheel heeft bijgedragen aan een sterkere positie van starters, met name in gebieden waar starters concurreren met beleggers. Het afzonderlijke effect van de startersvrijstelling kon daarbij niet los worden vastgesteld, maar wordt wel beschouwd als deels doeltreffend binnen het totale instrumentarium. De staatssecretaris merkt op dat over de doeltreffendheid van de leeftijdsgrens als zodanig geen afzonderlijke conclusies kunnen worden getrokken, omdat dit niet specifiek is onderzocht.
De staatssecretaris geeft aan dat bij de vormgeving van de vrijstelling verschillende alternatieven zijn onderzocht. Een directe koppeling aan het eerste woningbezit bleek onuitvoerbaar, waardoor is gekozen voor een combinatie van voorwaarden, waaronder de leeftijdsgrens. Deze grens is destijds vastgesteld op basis van gegevens waaruit bleek dat het merendeel van de starters zich binnen een bepaalde leeftijdscategorie bevindt.
Volgens de bewindsman is onderzocht of verruiming van de leeftijdsgrens of de woningwaardegrens de doeltreffendheid van de regeling kan vergroten. Daarbij blijkt dat verruiming weliswaar leidt tot een groter bereik onder starters, maar ook tot een aanzienlijk hogere toepassing door doorstromers en tot substantiële budgettaire kosten. Dit gaat volgens de staatssecretaris ten koste van de doelmatigheid van de regeling. Ook combinaties van aanpassingen van beide grenzen leiden niet tot een aantoonbare verbetering van de doeltreffendheid zonder verlies aan doelmatigheid.
De staatssecretaris concludeert dat de startersvrijstelling in haar huidige vorm bijdraagt aan de ondersteuning van starters, maar dat aanpassing van de regeling vooral zou leiden tot hogere kosten en een verminderde doelmatigheid.
Gelet hierop ziet hij op dit moment geen aanleiding om de vormgeving van de startersvrijstelling te wijzigen. Daarbij wijst hij erop dat de gemiddelde leeftijd van koopstarters stabiel is gebleven en dat daarnaast andere maatregelen zijn getroffen om de toegankelijkheid van de woningmarkt voor starters te verbeteren.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.