Kabinet ziet mogelijkheden om toepassing en handhaving van gebruikelijkloonregeling te verbeteren, maar ziet geen aanleiding voor aanpassing van normbedrag
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk in een Kamerbrief de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het vervolgonderzoek naar aanleiding van de evaluatie van de gebruikelijkloonregeling. In de brief gaat hij in op de doelstelling van de regeling, de belangrijkste bevindingen van de evaluatie door SEO Economisch Onderzoek en de beleidsopties om de doeltreffendheid van de regeling te vergroten.
Gebruikelijkloonregeling
De staatssecretaris geeft aan dat de gebruikelijkloonregeling sinds 1997 tot doel heeft te waarborgen dat directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) die arbeid verrichten voor hun eigen vennootschap een zakelijk loon in aanmerking nemen en daarover loonheffingen betalen. Hiermee wordt beoogd oneigenlijk gebruik van inkomensafhankelijke regelingen te voorkomen en uitstel van belastingheffing tegen te gaan. Het gebruikelijk loon is daarbij het hoogste van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, het hoogste loon van andere werknemers binnen de groep of het wettelijke normbedrag, dat in 2026 € 58.000 bedraagt.
Ruimte voor verbetering
Volgens de bewindsman concludeert SEO in de evaluatie dat de regeling doelmatig is, omdat de opbrengsten de uitvoeringskosten ruimschoots overstijgen en er geen betere beleidsalternatieven zijn. Tegelijkertijd wordt de regeling als deels doeltreffend beoordeeld. Uit de analyse blijkt dat de feitelijke loonsom van dga’s circa 80% bedraagt van de loonsom die zou gelden indien alle dga’s volledig conform de wettelijke vereisten zouden handelen. Daarmee wordt het doel grotendeels bereikt, maar is er ruimte voor verbetering.
Factoren
De staatssecretaris merkt op dat de beperkte doeltreffendheid samenhangt met een aantal factoren.
Zo ontbreekt het aan een eenduidige en betrouwbare informatiebron om het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking vast te stellen. Zowel dga’s als de Belastingdienst zijn aangewezen op uiteenlopende marktinformatie, wat leidt tot ruime interpretaties en beperkte controlemogelijkheden. Daarnaast ervaren dga’s en hun adviseurs de handhaving als weinig strikt, wat kan bijdragen aan het lager vaststellen van het gebruikelijk loon. Verder blijkt uit de loonvergelijking dat met name dga’s die een loon rond of onder het normbedrag hanteren, gemiddeld een hoger loon in aanmerking zouden moeten nemen. Ook is vastgesteld dat circa 40% van de dga’s onder het normbedrag zit, terwijl dit slechts deels verklaarbaar is door starters- en deeltijdsituaties.
Volgens de bewindsman heeft het beperken en uiteindelijk afschaffen van de doelmatigheidsmarge nauwelijks geleid tot loonstijgingen bij dga’s. De verwachte extra belastingopbrengsten zijn daardoor niet gerealiseerd. SEO verklaart dit onder meer door de beperkte toepasbaarheid van de marge in de praktijk en de bewijslastverdeling.
Beleidsopties
De staatssecretaris geeft aan dat in het vervolgonderzoek verschillende beleidsopties zijn beoordeeld. Ten eerste wordt ingezet op verbetering van de informatievoorziening door het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek naar een eenduidige, generieke waarderingsmethode. Een dergelijke methode kan zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst ondersteunen bij het vaststellen en onderbouwen van het gebruikelijk loon. Ten tweede start de Belastingdienst met een analyse van beschikbare data om beter inzicht te krijgen in de naleving en om toekomstige keuzes in de handhavingsstrategie te onderbouwen.
Ten slotte merkt de staatssecretaris op dat er op dit moment weinig aanknopingspunten zijn voor een onderbouwde generieke verhoging van het normbedrag. Ook een differentiatie van het normbedrag naar de loonsom van de vennootschap acht hij van beperkte meerwaarde en nadelig voor de doelmatigheid. Om die reden geeft het kabinet aan deze beleidsopties niet verder uit te werken.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.