Wetsvoorstel VBAR: focus op rechtsvermoeden, verduidelijkingsdeel geschrapt
De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel VBAR is aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze nota beantwoordt minister Aartsen (Werk en Participatie) vragen over de invoering van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief.
Het kabinet heeft ervoor gekozen het verduidelijkingsdeel over arbeidsrelaties via een nota van wijziging uit het wetsvoorstel te halen. Dit onderdeel was bedoeld om wettelijk te verduidelijken wanneer sprake is van werken als zelfstandige of als werknemer, maar leidde volgens de minister tot te veel onrust. Vragen die hierop betrekking hadden, zijn daarom niet meer inhoudelijk behandeld. Met deze keuze wil het kabinet rust creëren en tegelijkertijd ruimte maken voor verdere uitwerking van de aangekondigde Zelfstandigenwet. De aanpassing van het wetsvoorstel heeft geen effect op de handhaving door de Belastingdienst op naleving van de Wet DBA; deze gaat ongewijzigd door.
De nota gaat nog wel in op de noodzaak van het wetsvoorstel, de werking van het rechtsvermoeden en de gevolgen van het schrappen van het verduidelijkingsdeel in het kader van het Herstel‑ en Veerkrachtplan (HVP). De minister benadrukt daarbij dat het rechtsvermoeden uitsluitend civielrechtelijke werking heeft. De Belastingdienst toetst niet aan het rechtsvermoeden en behoudt een eigen onderzoeksplicht bij de fiscale beoordeling van arbeidsrelaties.
Het wetsvoorstel krijgt bij inwerkingtreding onmiddellijke werking. Dat betekent dat werkenden vanaf de datum van inwerkingtreding een beroep kunnen doen op het rechtsvermoeden, ook als hun arbeidsrelatie al vóór die datum is aangegaan. Als uiteindelijk wordt vastgesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, geldt dat oordeel voor de volledige duur van de arbeidsrelatie.
Het schrappen van het verduidelijkingsdeel heeft wel gevolgen op Europees niveau. Het risico bestaat dat Nederland hierdoor circa € 600 miljoen aan Europese HVP‑middelen misloopt. Het kabinet is hierover in overleg met de Europese Commissie.
Tegelijkertijd wil het kabinet juist vaart maken met het rechtsvermoeden voor laagbetaalde zzp’ers. Het betreft zelfstandigen met een uurtarief tot € 38 (prijspeil 1 januari 2026). Doen zij een beroep op het rechtsvermoeden, dan is het aan de opdrachtgever om aan te tonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan is sprake van schijnzelfstandigheid en heeft de zzp’er recht op de bijbehorende arbeidsrechtelijke bescherming.
Wet baz: verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen
Naast de VBAR is ook het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Wet baz) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel introduceert een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.
Het voorgestelde stelsel kent een duale opzet. Zelfstandigen zijn in beginsel publiek verzekerd, maar kunnen – onder voorwaarden – kiezen voor een aanvullende private verzekering of geheel overstappen op een private verzekering via een opt‑out. De kring van verzekerden bestaat uit alle natuurlijke personen die nog niet de AOW‑leeftijd hebben bereikt en winst uit onderneming genieten in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, zowel met als zonder personeel.
Niet onder de verzekering vallen onder meer resultaatgenieters, directeur‑grootaandeelhouders en meewerkend partners. Het premiepercentage bedraagt circa 5,4%. De premie‑ en uitkeringsgrondslag bestaat uit de winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek en MKB‑winstvrijstelling, tot een gemaximeerd premie‑inkomen. Voor zelfstandigen die daarnaast ook inkomen uit dienstbetrekking genieten, geldt een premievrije voet mits zij vanuit de WIA al recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op het niveau van het minimumloon.
Voor bestaande arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is overgangsrecht voorzien. Daarnaast wordt de premie fiscaal aftrekbaar als uitgave voor inkomensvoorzieningen, volgens de reguliere systematiek van de inkomstenbelasting.