Staatssecretaris schetst achtergrond, internationale ontwikkelingen en overwegingen bij invoering van een digitaledienstenbelasting
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de Tweede Kamer geïnformeerd over de relevante overwegingen die een rol spelen bij de invoering van een digitaledienstenbelasting (ook wel digital services tax of DST).
In de brief aan de Tweede Kamer wordt uiteengezet wat een DST inhoudt, welke internationale en Europese initiatieven er spelen, hoe andere landen hiermee omgaan en welke juridische, economische en budgettaire aandachtspunten relevant zijn. Beleidskeuzes worden vanwege de demissionaire status van het kabinet niet gemaakt.
De staatssecretaris geeft aan dat een DST een belasting is die specifiek gericht is op inkomsten uit digitale activiteiten, zoals digitale platforms, advertenties en het verzamelen van data. In tegenstelling tot de vennootschapsbelasting wordt een DST geheven over omzet in plaats van winst. Vaak geldt een hoge omzetdrempel, zodat de heffing met name ziet op grote multinationale ondernemingen. Opvallend is dat fysieke aanwezigheid in een land niet vereist is voor belastingheffing.
De staatssecretaris merkt op dat de discussie over DST’s voortkomt uit drie bredere vraagstukken: de vraag of het internationale belastingstelsel nog aansluit bij de digitaliserende economie, zorgen over belastingontwijking door digitale bedrijven en de dominante marktpositie van enkele grote spelers. Voorstanders willen meer heffingsrechten toedelen aan landen waar gebruikers zich bevinden. Tegelijkertijd blijkt uit gegevens dat grote digitale bedrijven gemiddeld circa 21% vennootschapsbelasting betalen, grotendeels in het land waar hun hoofdkantoor gevestigd is.
Volgens de bewindsman zijn er diverse internationale initiatieven relevant. Binnen de OESO wordt onderhandeld over Pijler 1, gericht op herverdeling van winsten van de grootste multinationals. Ook de EU heeft eerder voorstellen gedaan voor een DST, maar deze zijn niet aangenomen in afwachting van OESO-onderhandelingen. Binnen de VN bestaan modelbepalingen die bronheffingen op digitale diensten toestaan en wordt gewerkt aan een nieuw raamwerk voor internationale belastingheffing.
De staatssecretaris geeft aan dat verschillende landen reeds een DST hebben ingevoerd, waaronder Frankrijk, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. De reikwijdte, tarieven en omzetdrempels verschillen sterk. Tarieven liggen doorgaans tussen 1% en 3% van de omzet. Sommige landen beperken de DST tot specifieke activiteiten, zoals streaming of advertenties.
De staatssecretaris merkt op dat er belangrijke overwegingen zijn bij eventuele invoering in Nederland. Allereerst dient rekening te worden gehouden met de open en internationaal georiënteerde Nederlandse economie. Bedrijven kunnen de heffing deels doorberekenen aan consumenten. Daarnaast is het moeilijk om digitale activiteiten scherp af te bakenen, wat risico’s oplevert voor een gelijk speelveld en uitvoerbaarheid. Ook speelt de vraag of een DST onder belastingverdragen valt; hierover bestaan verschillende opvattingen, wat juridische onzekerheid creëert.
Volgens de bewindsman zou een unilaterale Nederlandse DST, vergelijkbaar met de Franse of Italiaanse variant, circa € 300 miljoen per jaar kunnen opleveren, mits deze niet verrekend kan worden met de vennootschapsbelasting. Tegelijkertijd zijn er aanzienlijke administratieve lasten voor bedrijven en uitvoeringslasten voor de Belastingdienst te verwachten.
De staatssecretaris concludeert dat een eventuele invoering zorgvuldige afwegingen vergt, onder meer ten aanzien van economische effecten, internationale verhoudingen en uitvoerbaarheid. Beleidskeuzes worden nu niet gemaakt, maar de Tweede Kamer wordt een technische briefing over het onderwerp aangeboden.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.