Antwoorden op resterende vragen commissiedebat box 3

Vermogensbelasting, of vermogen in box 1 belasten volgens staatssecretaris geen optie

De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met antwoorden op de nog openstaande vragen die zijn gesteld tijdens het commissiedebat box 3 op 20 februari 2025. De staatssecretaris gaat onder meer in op vragen over invoering van een vermogensbelasting en dekkingsvraagstukken. Ook licht hij de voortgang van het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 en het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 toe.

Vermogensbelasting

De staatssecretaris geeft aan dat er in de Kamer verschillende vragen zijn gesteld over de invoering van een vermogensbelasting. Daarbij worden twee varianten besproken: een tijdelijke vermogensbelasting als tussenoplossing tot de Wet werkelijk rendement box 3 is ingevoerd en een structurele vermogensbelasting naast het belasten van het werkelijke rendement.

De staatssecretaris merkt op dat de veronderstelling dat een vermogensbelasting sneller kan worden ingevoerd niet juist is. Hij benadrukt dat een ordentelijk wetgevingsproces vereist is en dat een vermogensbelasting niet eerder dan 2028 kan worden ingevoerd. Dit zou bovendien de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 verder vertragen, omdat er beperkte wetgevings- en uitvoeringscapaciteit beschikbaar is.

Daarnaast wijst de staatssecretaris erop dat een vermogensbelasting niet minder gegevens vereist dan het belasten van werkelijk rendement. Vanwege het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet bovendien worden voorkomen dat belastingbetalers interen op hun vermogen als de belasting niet uit het rendement betaald kan worden. Dit betekent dat een anticumulatieregeling noodzakelijk is, waarvoor hetzelfde type informatie nodig is als bij het heffen van belasting over werkelijk rendement.

Verder benadrukt de staatssecretaris dat een vermogensbelasting niet aansluit bij het draagkrachtbeginsel. Personen met een laag rendement op hun vermogen zouden relatief veel belasting betalen, terwijl personen met een hoog rendement verhoudingsgewijs minder belasting zouden afdragen. Hij vindt dit een oneerlijke situatie.

De staatssecretaris reageert ook op vragen over de mogelijke opbrengst van een vermogensbelasting. Hij merkt op dat de opbrengst afhankelijk is van verschillende factoren, waaronder de hoogte van het heffingvrije vermogen, de vormgeving van een anticumulatieregeling en mogelijke gedragseffecten. 

Tot slot merkt de staatssecretaris op dat indien er een vermogensbelasting naast de huidige belasting op werkelijk rendement zou worden ingevoerd, een lager tarief in combinatie met een hoge vrijstelling juridisch minder snel tot problemen met het eigendomsrecht uit het EVRM zou leiden. Hij herhaalt echter zijn eerdere bezwaren tegen een vermogensbelasting en geeft aan dat concrete percentages en vrijstellingen niet nader onderzocht zijn, behalve in enkele theoretische berekeningen.

Dekking

De staatssecretaris merkt op dat het kabinet voorstelt om de dekking voor de box 3-derving binnen box 3 te vinden, omdat de voordelen van de arresten ook daar neerslaan. Dit gebeurt onder andere door het forfaitaire rendement op overige bezittingen aan te passen, zodat belastingplichtigen met hogere rendementen meer bijdragen. Tegelijkertijd blijft de tegenbewijsregeling beschikbaar voor belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement. 

De staatssecretaris benadrukt dat alternatieve dekkingsopties, zoals een verhoging van het box 3-tarief of een verlaging van het heffingvrije vermogen, nadelen hebben en beperkte opbrengsten genereren. Hij ziet geen aanleiding om de positie van kleine spaarders verder te verbeteren, aangezien het forfaitaire rendement op spaargeld nauw aansluit bij de werkelijkheid en de tegenbewijsregeling toegankelijk is. Verder acht hij een verhoging van het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen juridisch houdbaar, omdat deze beter aansluit bij de realiteit. Het kabinet streeft ernaar het belastingstelsel in 2026 en 2027 dichter bij het eindbeeld van 2028 te brengen, waarin belasting wordt geheven op basis van werkelijk rendement.

Overige vragen

De staatssecretaris geeft aan dat de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) de recente cijfers van het Kadaster over de huurmarkt zal bestuderen en de Kamer hierover zal informeren. Hij merkt op dat als de stapeling van maatregelen grote effecten heeft, de minister van VRO-maatregelen zal overwegen. Daarnaast onderzoekt het kabinet, naar aanleiding van de Woontop, de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat voor middenhuurwoningen, waarvan de resultaten medio 2025 worden verwacht. 

De staatssecretaris verduidelijkt dat de Landsadvocaat specifiek heeft geadviseerd over het kostenforfait in de vastgoedbijtelling, maar niet over de houdbaarheid van de vastgoedbijtelling zelf. Hij benadrukt dat de Hoge Raad heeft vastgesteld dat het voordeel van eigen gebruik van onroerend goed behoort tot het werkelijk rendement en dat dit forfaitair wordt bepaald om praktische redenen. 

De staatssecretaris ziet geen reden om goederen onder de Natuurschoonwet 1928 fiscaal anders te behandelen, aangezien de bestaande vrijstelling grotendeels behouden blijft. 

Het voorstel om box 3 af te schaffen en vermogen in box 1 te belasten, acht de staatssecretaris te ingrijpend. Een dergelijke stelselwijziging vergt veel voorbereiding en brengt volgens de bewindsman nadelen met zich mee. 

Tot slot wijst hij erop dat de fiscale stelsels van Duitsland en Denemarken niet geschikt zijn als alternatief voor het Nederlandse box 3-stelsel, onder andere vanwege uitvoeringsproblemen en lange implementatietijd.

Vervolg

De staatssecretaris hoopt dat deze brief de meeste vragen van de Kamerleden beantwoordt en dat het debat over box 3 spoedig kan worden voortgezet. Hij merkt op dat er goede voortgang is met de wetsvoorstellen Wet tegenbewijsregeling box 3 en Wet werkelijk rendement box 3, waarvan de eerste binnen enkele weken en de tweede voor het einde van het kwartaal aan de Kamer wordt aangeboden. Daarnaast is het de bedoeling dat het formulier "opgaaf werkelijk rendement" in de zomer van 2025 beschikbaar komt, zodat belastingplichtigen hun werkelijke rendement kunnen opgeven en de hersteloperatie tijdig kan starten.

De gehele Kamerbrief vindt u hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.