Hoge Raad bevestigt dat bij meerdere ondernemingen na een splitsing de bedrijfsopvolgingsregeling slechts gedeeltelijk kan gelden
De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsregeling bij een schenking van aandelen slechts kan worden toegepast voor zover is voldaan aan de vereiste bezitstermijnen. Bij een uitbreiding van een belang in een onderneming, na een juridische splitsing, kan een nieuwe bezitstermijn aanvangen, waardoor de regeling niet op de volledige waarde van toepassing is.
De zaak staat in de fiscale wereld bekend als de ‘’Horen en Zien zaak’’. De Hoge Raad oordeelde in april 2023 dat de indirecte bezitseis per onderneming moet worden beoordeeld. Het hof moest van de Hoge Raad uitzoeken of hieraan was voldaan. Het hof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Hierdoor is de vrijstelling in de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in deze zaak (slechts) gedeeltelijk toe te passen (voor 49%, terwijl er indirect 100% van de hoorcentra is verkregen). De Hoge Raad bevestigt nu het oordeel van het hof.
Bedrijfsopvolgingsregeling
De ratio van de bedrijfsopvolgingsregeling is om te voorkomen dat de continuïteit van een onderneming bedreigd wordt door heffing van schenk- of erfbelasting. De bedrijfsopvolgingsregeling geeft daarom een voorwaardelijke vrijstelling van 75% tot 100% van het ondernemingsvermogen (vóór 1 januari 2024 bedroegen de percentages 83% tot 100%), wanneer dat vermogen door schenking of vererving wordt verkregen.
Een van de voorwaarden voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling is de bezitseis. Deze anti-misbruikvoorwaarde houdt in dat op het moment van schenking of vererving de erflater of schenker de aandelen in de vennootschap ten minste één jaar respectievelijk vijf jaar in bezit moet hebben, én de vennootschap de onderneming gedurende ten minste één respectievelijk vijf jaar moet drijven.
Onderhavige zaak
De zaak betreft een aanslag schenkbelasting naar aanleiding van een schenking van aandelen door een moeder aan haar kind. De moeder hield indirect een belang van 49 procent in een holdingvennootschap, terwijl de overige aandelen indirect werden gehouden door een familielid. De holding had dochtermaatschappijen waarin activiteiten werden uitgeoefend op het gebied van hoorcentra en optiekcentra.
In 2011 vond een juridische splitsing plaats waarbij de activiteiten werden verdeeld tussen de aandeelhouders. De moeder verkreeg daarbij de activiteiten op het gebied van hoorcentra, inclusief een deelneming en een bedrijfspand. In 2012 volgde een afsplitsing waarbij deze activiteiten werden ondergebracht in een andere vennootschap waarvan de moeder alle aandelen hield. In 2013 schonk zij alle aandelen in deze vennootschap aan haar kind, waarbij in de aangifte werd verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. De inspecteur paste de regeling slechts gedeeltelijk toe en ging ervan uit dat slechts voor 49 procent van de waarde van de aandelen was voldaan aan de vereiste bezitstermijn. De kern van het geschil was of de activiteiten vóór de splitsing één onderneming vormden of meerdere ondernemingen.
Oordelen van het hof
Het gerechtshof stelde voorop dat het aan de verkrijger is om aannemelijk te maken dat de activiteiten van de dochtermaatschappijen vóór de splitsing één objectieve onderneming vormden. Het hof oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt. Vervolgens nam het hof tot uitgangspunt dat bij een uitbreiding van de gerechtigdheid in een onderneming een nieuwe bezitstermijn aanvangt. Het hof verwierp het betoog dat een uitvoeringsregeling ertoe zou leiden dat de onderneming geacht moest worden al langer volledig te zijn gedreven. Op basis daarvan oordeelde het hof dat de bedrijfsopvolgingsregeling slechts voor 49 procent van de waarde kon worden toegepast.
Overwegingen van de Hoge Raad
De Hoge Raad geeft eerst in algemene zin aan dat uit de wet blijkt dat voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen vereist is dat de schenker deze aandelen ten minste vijf jaren voorafgaande aan de schenking onafgebroken in bezit heeft gehad (directe bezitstermijn), en dat de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken ten minste vijf jaren een onderneming heeft gedreven (indirecte bezitstermijn). Volgens de Hoge Raad moet per onderneming worden beoordeeld of aan de indirecte bezitstermijn is voldaan.
De Hoge Raad merkt op dat indien een vennootschap haar gerechtigdheid tot een onderneming uitbreidt, in zoverre een nieuwe indirecte bezitstermijn begint te lopen. Dit is anders wanneer de onderneming zelf uitbreidt terwijl het belang gelijk blijft. In dat geval vangt geen nieuwe termijn aan.
Volgens de Hoge Raad zou, indien de activiteiten vóór de splitsing één onderneming vormden, de regeling op de volledige verkrijging van toepassing kunnen zijn. Indien echter sprake is van meer dan één onderneming, kan de regeling slechts worden toegepast voor zover de schenker vóór de splitsing al gerechtigd was tot de betreffende onderneming. Voor het meerdere is dan niet voldaan aan de indirecte bezitstermijn. Het hof heeft volgens de Hoge Raad juist vastgesteld dat de bedrijfsopvolgingsregeling in deze zaak slechts voor 49% van de waarde kon worden toegepast.
De Hoge Raad geeft verder aan dat de uitvoeringsregeling waarop een beroep werd gedaan uitsluitend ziet op een verzachting van de directe bezitstermijn en geen betekenis heeft voor de indirecte bezitstermijn. Ook bevestigt de Hoge Raad dat de bewijslast terecht bij de verkrijger is gelegd, omdat deze zich beroept op de vrijstelling.
Wijzigingen bedrijfsopvolgingsregeling
Tot slot merken wij op dat de bedrijfsopvolgingsregeling in 2025 en in 2026 is gewijzigd. Neem voor meer informatie over de wijzigingen contact op met uw EY contactpersoon.