Belastingheffing over dividend van buitenlandse dochtermaatschappij in strijd met EU-recht

Italiaanse regionale heffing over meer dan 5% volgens Hof van Justitie in strijd met EU-richtlijn

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat een Italiaanse belastingheffing over meer dan 5% van dividenden afkomstig van buitenlandse dochtermaatschappijen in strijd is met EU-recht. 

In de betreffende zaak heeft een in Italië gevestigde bank dividenden ontvangen van dochtermaatschappijen die waren gevestigd in andere EU-lidstaten. Deze dividenden werden voor 5% opgenomen in de heffingsgrondslag voor de Italiaanse vennootschapsbelasting en voor 50% in die van een regionale belasting.

De bank verzocht vervolgens om terugbetaling van een deel van de regionale belasting omdat de belasting op het dividend in strijd zou zijn met een EU-richtlijn. Dat verzoek werd door de Italiaanse belastingdienst afgewezen. Een Italiaanse rechter heeft het Hof van Justitie vervolgens gevraagd om een prejudiciële uitleg van de betreffende richtlijn. 

Het Hof herinnert eraan dat de EU-lidstaten bij het voorkomen van dubbele belasting van dividenden die belastingplichtigen ontvangen van buitenlandse dochtermaatschappijen, kunnen kiezen tussen een vrijstellingsregeling en een imputatieregeling. Italië had gekozen voor een vrijstellingsregeling.

Het Hof oordeelt dat de EU-richtlijn, voor zover die bepaalt dat een lidstaat die een vrijstellingsregeling toepast, moet afzien van het belasten van winsten die een moedermaatschappij ontvangt van in andere EU-lidstaten gevestigde dochtermaatschappijen, niet beperkt is tot één specifieke belasting. De vrijstellingsregeling is van toepassing op iedere belasting waarvan de heffingsgrondslag dividenden omvat die door een moedermaatschappij worden ontvangen van dochtervennootschappen in andere lidstaten. Dus ook een regionale belasting. 

Als antwoord op de prejudiciële vraag oordeelt het Hof dat, indien een lidstaat heeft gekozen voor een vrijstellingsregeling, de betreffende EU-richtlijn zich verzet tegen nationale regelgeving die voorziet in belastingheffing over meer dan 5% van het bedrag van de dividenden die financiële intermediairs, gevestigd in die lidstaat, ontvangen van dochtermaatschappijen in andere lidstaten. Dit geldt ook wanneer de heffing plaatsvindt via een belasting die geen vennootschapsbelasting is, maar waarvan de heffingsgrondslag (mede) bestaat uit die dividenden of een gedeelte daarvan.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.