Belastingrente vennootschapsbelastingtarief van 8% en 10% ook volgens Rechtbank Den Haag in strijd met evenredigheidsbeginsel
Rechtbank Den Haag heeft recentelijk geoordeeld dat de belastingrentepercentages van 8% en 10% voor de vennootschapsbelasting in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Het Besluit belasting- en invorderingsrente, waarin deze tarieven zijn vastgelegd, is volgens de rechtbank op dit punt onverbindend. In deze zaak werd de in rekening gebrachte belastingrente daarom verlaagd.
Feiten en omstandigheden
Een belastingplichtige had verzocht om een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting. De inspecteur legde vervolgens een voorlopige aanslag op, geheel overeenkomstig dit verzoek. Tegelijkertijd werd een beschikking belastingrente opgelegd. De belastingrente was berekend over twee perioden met een percentage van 8% (voor 2023) en 10% (voor 2024). Kort na ontvangst van de beschikking verzocht de belastingplichtige om herziening en stelde hij dat de belastingrente zou moeten worden beperkt. Dit verzoek werd door de inspecteur afgewezen.
Geschil
In geschil was de vraag of de hoogte van de belastingrente in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De belastingplichtige stelde onder meer dat de opgelegde rente onredelijk hoog is. Daarbij werd onder andere verwezen naar een uitspraak van Rechtbank Noord Nederland van 7 november 2024. De inspecteur betoogde dat de rente op juiste wijze en conform de geldende regeling was berekend.
Overwegingen van de rechtbank
Volgens de rechtbank blijkt uit de wetsgeschiedenis dat bij de invoering van de hoge belastingrente expliciet is gekozen om deze te laten gelden voor vennootschapsbelastingplichtigen en niet voor particulieren. Daarmee staat vast dat de belangen van ondernemers in de vennootschapsbelasting zijn meegewogen. Er is dus volgens de rechtbank geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of motiveringsbeginsel.
De rechtbank geeft aan dat vervolgens moet worden beoordeeld of de regeling op zogenoemd regelniveau in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij wordt een belangenafweging gemaakt tussen de nadelige gevolgen voor ondernemers in de vennootschapsbelasting en de belangen van de overheid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de vaststelling van de tarieven het budgettaire belang van de overheid doorslaggevend is geweest. Weliswaar is in algemene zin gesproken over de prikkelwerking van belastingrente, maar de hoge percentages van 8% en 10% zijn voornamelijk ingevoerd vanwege begrotingsopbrengsten.
De rechtbank merkt op dat de nadelige gevolgen voor ondernemers in de vennootschapsbelasting nauwelijks zijn meegewogen. De wetgever heeft volgens de rechtbank bij de belangenafweging niet in redelijkheid tot deze hoge tarieven kunnen komen.
Massaal bezwaar belastingrente bij aanslagen vennootschapsbelasting
Op 7 november 2024 heeft de Rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat de belastingrente van ten minste 8% bij aanslagen vennootschapsbelasting niet van toepassing was. Beide partijen in deze zaak hebben ingestemd om de zaak direct voor te leggen aan de Hoge Raad. Het is nu aan de Hoge Raad om een eindoordeel te vellen over de belastingrente van 8% bij aanslagen vennootschapsbelasting. De staatssecretaris van Financiën heeft de bezwaren tegen de belastingrente vennootschapsbelasting aangewezen voor massaal bezwaar. Zie hierover onze eerdere berichtgeving in EYFN 2025/8. De Hoge Raad heeft overigens ook gelegenheid gegeven inbreng te leveren over de hoogte van het belastingrentepercentage bij de belastingaanslag vennootschapsbelasting. Zie hierover onze eerdere berichtgeving in EYFN 2025/22.
Massaal bezwaar belastingrente bij aanslagen inkomstenbelasting en overige middelen
De staatssecretaris van Financiën heeft vervolgens ook bezwaren tegen de belastingrente bij aanslagen inkomstenbelasting en overige middelen aangewezen voor massaal bezwaar. Zie hierover onze eerdere berichtgeving in EYFN 2025/20.