Hoge Raad bevestigt verliesverrekening na oprichting dochter en fusie

Voorvoegingsverliezen verrekenbaar met winsten binnen fiscale eenheid; winst moet worden vastgesteld met inachtneming van afschrijving op goodwill

De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld over de vraag of voorvoegingsverliezen van een moedermaatschappij kunnen worden verrekend met winsten die binnen een fiscale eenheid zijn behaald na de oprichting van een nieuwe dochtermaatschappij en een daaropvolgende juridische fusie. In deze zaak stond centraal of die winsten aan de moeder konden worden toegerekend en of zij in aanmerking kwamen voor verrekening met oudere verliezen.

Wat is in geschil

In geschil is of winsten die in twee jaren binnen de fiscale eenheid zijn gerealiseerd en die volledig voortvloeien uit de onderneming van een nieuw opgerichte dochtermaatschappij, mogen worden verrekend met een verlies dat de moedermaatschappij had geleden vóór de uitbreiding van de fiscale eenheid. Daarnaast is in geschil op welke wijze de winst van de nieuwe dochter moet worden vastgesteld, met name of daarbij rekening moet worden gehouden met afschrijving op bij een fusie overgenomen vermogensbestanddelen, waaronder goodwill. 

Overwegingen van de Hoge Raad

De Hoge Raad geeft aan dat uit de samenhang van de toepasselijke wettelijke bepalingen en uitvoeringsregels volgt dat de winst van de nieuw opgerichte dochter vanaf haar oprichtingsdatum wordt toegerekend aan de moedermaatschappij binnen de fiscale eenheid. Dit geldt ook voor de toepassing van de regels inzake de verrekening van voorvoegingsverliezen. Volgens de Hoge Raad brengt dit mee dat het eerder geleden verlies van de moeder in aanmerking komt voor verrekening met die winst.

De Hoge Raad merkt op dat de winst van de nieuwe dochter moet worden vastgesteld met inachtneming van de regels voor winstsplitsing binnen een fiscale eenheid. Daarbij geldt dat bij de overdracht van een onderneming in het kader van een juridische fusie specifieke bepalingen van toepassing zijn die voorschrijven hoe de winst moet worden berekend. Deze bepalingen brengen mee dat de bij winstbepaling rekening moet worden gehouden met afschrijving op de overgenomen vermogensbestanddelen op basis van de waarde in het economische verkeer.

Volgens de Hoge Raad leidt een bijzondere regeling die in bepaalde situaties een beperking van verliesverrekening kan meebrengen, in dit geval niet tot een andere uitkomst. Deze regeling is niet van toepassing omdat de verdwijnende dochtermaatschappij niet beschikte over voorvoegingsverliezen en geen sprake was van een verzoek om verliesverrekening met winsten die vóór de voeging waren behaald. Voor een andere uitleg dan de grammaticale uitleg van de regeling bestaat volgens de Hoge Raad daarom geen aanleiding.

De Hoge Raad geeft aan dat ook het standpunt dat sprake zou zijn van het omzeilen van de regels voor verliesverrekening, niet wordt gevolgd. De wetgever en de besluitgever hebben voor de hier aan de orde zijnde situaties bewust gekozen voor een afwijking van het hoofdregime. Deze afwijking is duidelijk vastgelegd in de toepasselijke bepalingen en moet worden toegepast zoals zij luiden. Dat de uitkomst gunstig is voor de belastingplichtige, maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders.

Afschrijving op goodwill

Ten aanzien van de bepaling van de winst overweegt de Hoge Raad dat de regels dwingend voorschrijven dat bij de overnemer van een onderneming afschrijving op de overgenomen vermogensbestanddelen in aanmerking moet worden genomen. Dit geldt ook voor goodwill. Volgens de Hoge Raad volgt het verplichte karakter van deze afschrijving uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling. Het is daarom niet toegestaan de winst te bepalen zonder rekening te houden met deze afschrijving.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.