Kabinetsreactie evaluatie Wet differentiatie overdrachtsbelasting

Kabinet tevreden dat differentiatie overdrachtsbelasting en gekozen vormgeving hebben geleid tot behalen doelstellingen

De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de Tweede Kamer geïnformeerd over de kabinetsreactie op de evaluatie van de Wet differentiatie overdrachtsbelasting en de verhoging van het algemene tarief naar 10,4%. De Tweede Kamer had het evaluatierapport op 17 september 2024 (Prinsjesdag) ontvangen.

Evaluatie

Onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek heeft de Wet differentiatie overdrachtsbelasting in opdracht van het ministerie van Financiën en het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geëvalueerd.

De staatssecretaris geeft aan dat op 1 januari 2021 een wet inwerking is getreden die beoogt de positie van de starters en doorstromers op de koopwoningmarkt te verstevigen ten opzichte van die van beleggers. Dit wordt bereikt door te differentiëren in de overdrachtsbelastingtarieven die starters, doorstromers en beleggers betalen bij de verkrijging van woningen. Omdat het pakket aan maatregelen de aankoopkosten van een woning voor starters verlaagt en die van beleggers verhoogt, werd bij invoering verwacht dat het aantal woningtransacties door starters zou toenemen en de woningtransacties door beleggers zou afnemen. De staatssecretaris merkt op dat het kabinet het belangrijk vond na te gaan of de verwachte effecten daadwerkelijk optreden en de doelstellingen doelmatig worden bereikt. Later is besloten om in deze evaluatie ook de verdere verhoging van het algemene overdrachtsbelastingtarief van 8% naar 10,4% mee te nemen.

Kabinetsreactie

De staatssecretaris geeft aan dat het kabinet tevreden is dat de evaluatie laat zien dat de differentiatie in de overdrachtsbelasting en de gekozen vormgeving daarvan ertoe geleid hebben dat de doelstellingen behaald zijn. Starters hebben een stevigere positie vergaard op de koopwoningmarkt en hun toegang tot die markt is verbeterd. De staatssecretaris merkt op dat het kabinet daarom de differentiatie tussen starters, doorstromers en beleggers in de overdrachtsbelasting zal behouden.

Het is volgens de staatssecretaris aannemelijk dat ook de Wet differentiatie overdrachtsbelasting en de verdere verhoging van het algemene overdrachtsbelastingtarief negatieve neveneffecten hebben gehad. Zo concluderen de onderzoekers dat de differentiatie van overdrachtsbelasting – tezamen met andere factoren – waarschijnlijk heeft geleid tot een langzamere groei van de huurwoningvoorraad.

De staatssecretaris laat weten dat - om het aanbod aan betaalbare huurwoningen te vergroten - ook maatregelen worden genomen om investeren in huurwoningen aantrekkelijker te maken en het bouwen van (private) huurwoningen te stimuleren. Eén van de middelen waarmee deze doelstellingen wordt bereikt is het verlagen van de belastingdruk. Dit wordt mede bereikt door de introductie van een algemeen woningtarief in de overdrachtsbelasting van 8% per 1 januari 2026. Daarmee wordt de verdere verhoging naar 10,4% specifiek voor woningen teruggedraaid. Door deze maatregel wordt de belastingdruk op de exploitatie van nieuwbouw-huurwoningen en de verkrijging van onder andere huurwoningen verlaagd.

Het algemene tarief van 10,4% blijft voor niet-woningen behouden. Het handhaven van het algemene tarief leidt er volgens de bewindsman toe dat de verkrijging van niet-woningen die worden getransformeerd tot woningen belast blijft tegen 10,4%. De staatssecretaris licht toe dat dit een bewuste keuze is. Een generieke verlaging van het algemene tarief zou naar verwachting voor het grootste gedeelte (ongeveer 55%) ten goede komen aan andere investeerders in vastgoed (niet zijnde woningen), waardoor het woningaanbod niet direct wordt vergroot. Een generieke verlaging zou daarom minder doelmatig zijn omdat dit relatief kostbaar is.

De gehele kabinetsreactie vindt u hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.