In de aan de Kennisgroep voorgelegde casus kunnen werknemers via een werkgeversregeling salaris inruilen voor deelname aan een virtueel aandelenplan. De keuze om deel te nemen aan het aandelenplan kan éénmaal per jaar aan het begin van januari gemaakt worden. Op dat moment is het loon nog niet genoten. De virtuele aandelen geven recht op een uitkering na drie jaar, indien de werknemer nog in dienst is. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de waarde van de virtuele aandelen na afloop van de blokkeringstermijn. De werkgever betaalt de uitkering op dat moment ineens uit aan de werknemer.
Volgens de Kennisgroep vertonen virtuele aandelen de meeste gelijkenis met phantom shares. Het fictieve genietingstijdstip is het moment van uitruil van het loon in virtuele aandelen. De omvang van het loon is het bedrag waarvan de werknemer afziet in ruil voor deelname aan het virtuele aandelenplan. Volgens de Kennisgroep zou bij een later tijdstip sprake zijn van een ongebruikelijk genietingstijdstip. De uitkering die de werknemer ontvangt na de blokkeringstermijn vormt op dat moment ook loon. Hierbij kan het eerdere bedrag dat is aangemerkt als loon op de verschuldigde loonheffingen in mindering worden gebracht, maar niet verder dan nihil.
Een soortgelijk standpunt is gepubliceerd over een bonusplan, waarbij de conclusie hetzelfde is. Bij dat bonusplan werd voorzien in een beloning die afhankelijk is van het maandloon, de bonusopportunity en de mate van realisatie van collectieve en individuele targets in een kalenderjaar uitgedrukt in een bonuspercentage. De bonus wordt na afloop van het kalenderjaar vastgesteld door het loon te vermenigvuldigen met de bonusopportunity en met de uitkomst van het bonuspercentage. De uitkering wordt uitbetaald in april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin de targets zijn gerealiseerd. De minimale inleg (het loon waarvan wordt afgezien) bedraagt 5%. Als de werknemer gedurende het kalenderjaar uit dienst gaat, dan wordt het brutoloon waarvan is afgezien om deel te nemen aan het bonusplan, alsnog als bedrag ineens (onder inhouding van loonheffing) uitbetaald. Volgens de Kennisgroep is het onderhavige bonusplan vergelijkbaar met een voorwaardelijk recht op een tantième. Ook in deze casus neemt de Kennisgroep het standpunt in dat de werknemer het loon geniet op het moment van uitruil van het loon voor deelname aan het bonusplan.
Naar aanleiding van deze kennisgroepstandpunten zou gedacht kunnen worden dat hiermee een bom wordt gelegd onder alle uitruilmogelijkheden (cafetariaregelingen) die zich in de praktijk voordoen. Leveren deze niet allemaal een ongebruikelijk genietingsmoment op? Wij denken dat het niet de bedoeling van de Belastingdienst is om dat te suggereren en dat deze kennisgroepstandpunten specifiek zien op deze situaties van uitruil voor virtuele aandelen (vergelijkbaar met een voorwaardelijk recht op phantom shares) en deelname aan het bonusplan (vergelijkbaar met een voorwaardelijk recht op een tantième). Met name het feit dat regulier salaris wordt uitgeruild tegen een onzekere loonvordering en het (veel) latere genietingsmoment, lijken voor de Belastingdienst doorslaggevend. Dit is in de praktijk slechts in uitzonderlijke situaties van toepassing en speelt bijvoorbeeld niet bij een Individueel Keuzebudget (IKB), waarbij alles normaliter binnen de jaargrenzen plaatsvindt en de tegenprestatie voor de uitruil ook niet onzeker is.
In onze optiek kan in twijfel worden getrokken of dit kennisgroepstandpunt volledig juist is. Heeft u virtuele aandelenplannen of vergelijkbare plannen waarbij brutoloon wordt uitgeruild voor deelname aan het plan, bespreek dit dan met uw EY-adviseur.