Minimumbelasting heeft beperkte invloed op effectiviteit bestaande fiscale regelingen in Nederland; staatssecretaris gaat in op overwegingen om kwalificerend belastingtegoed in te voeren
De Staatssecretaris van Financiën is recentelijk in een Kamerbrief ingegaan op de gevolgen van de invoering van de minimumbelasting op fiscale stimuleringsmaatregelen. De minimumbelasting heeft volgens de staatssecretaris een beperkte invloed op de effectiviteit van de bestaande fiscale regelingen in Nederland, waaronder de innovatiebox. Verder merkt de staatssecretaris op dat - in het kader van het vestigingsklimaat – kan worden afgewogen om een kwalificerend belastingtegoed in te voeren, omdat veel andere landen een dergelijke regeling wel kennen.
Fiscale regelingen en subsidies
In de Kamerbrief gaat de staatssecretaris eerst in algemene zin in op het verschil tussen fiscale regelingen en subsidies. De staatssecretaris licht toe dat de keuze om fiscale regelingen om te zetten in subsidies afhankelijk is van verschillende factoren. Vanuit budgettaire beheersing en complexiteit van het belastingstelsel bezien verdient een subsidie volgens de bewindsman in beginsel de voorkeur boven een fiscale regeling. De staatssecretaris meent dat er echter goede redenen kunnen zijn om hiervan af te wijken. Zo kunnen met fiscale regelingen omvangrijke groepen belastingplichtigen op een efficiënte manier worden bereikt en bieden fiscale regelingen meer zekerheid voor de gebruikers, aangezien deze niet gemaximeerd zijn. Ook kunnen subsidies soms met extra administratieve lasten en uitvoeringskosten gepaard gaan.
Minimumbelasting (Pijler 2)
Vervolgens zet de staatssecretaris de hoofdlijnen van de minimumbelasting (Pijler 2) uiteen. De minimumbelasting is van toepassing op groepsentiteiten van zowel multinationale groepen als binnenlandse groepen met een jaaromzet van ten minste € 750 miljoen. Hierop is echter een aantal uitzonderingen van toepassing. Zo is de minimumbelasting niet van toepassing op uitgesloten entiteiten, zoals overheidsentiteiten, internationale organisaties, non-profitorganisaties, pensioenfondsen, en beleggingsfondsen en vastgoedbeleggingsvehikels die een uiteindelijkemoederentiteit zijn. Bijheffing van de minimumbelasting is alleen aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een staat lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. Aan de hand van gedetailleerde regels wordt bepaald hoe het effectieve belastingtarief in een staat berekend dient te worden.
Invloed minimumbelasting op bestaande fiscale regelingen en subsidies
Daarna gaat de staatssecretaris in op de invloed van de minimumbelasting op bestaande fiscale regelingen in de vennootschapsbelasting, subsidies en (kwalificerende) belastingtegoeden. De minimumbelasting kan volgens de staatssecretaris van invloed zijn op de effectiviteit van fiscale regelingen als instrument om bepaalde beleidsdoelen te bereiken.
Minimumbelasting en bestaande fiscale regelingen
Het hoge vennootschapsbelastingtarief in Nederland is 25,8%. Hierdoor worden volgens de staatssecretaris belastingplichtigen in het algemeen tegen een effectief belastingtarief van meer dan 15% belast. De bewindsman wijst erop dat in bepaalde gevallen desondanks het effectieve belastingtarief in de vennootschapsbelasting lager kan zijn dan het minimumbelastingtarief van 15%, zoals bij toepassing van de innovatiebox, het tonnageregime en de liquidatieverliesregeling. De staatssecretaris geeft aan dat heffing voor de minimumbelasting echter wordt bepaald over het netto kwalificerend inkomen van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten in een verslagjaar waarbij rekening wordt gehouden met het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Omdat groepen volgens de staatssecretaris vrijwel altijd ook winsten hebben die in Nederland tegen 25,8% belast worden, betekent dit dat slechts in enkele zeer specifieke gevallen het effectieve belastingtarief onder de 15% komt. Hierdoor heeft de minimumbelasting volgens de staatssecretaris een beperkte invloed op de effectiviteit van de bestaande fiscale regelingen.
Minimumbelasting en subsidies
In het algemeen wordt voor de minimumbelasting de behandeling in de financiële verslaggeving als uitgangspunt genomen. Een subsidie wordt op grond van financiële verslaggevingsregels aangemerkt als (commerciële) winst. Dat betekent een hoger bedrag aan kwalificerend inkomen of verlies (de noemer van de breuk) onder de minimumbelasting. Daarnaast is een subsidie ook belastbaar inkomen voor de vennootschapsbelasting. Dit verhoogt de teller van de breuk. Voor de berekening van het effectieve tarief heeft een subsidie dus zowel invloed op de teller als de noemer.
Minimumbelasting en (kwalificerende) belastingtegoeden
Bij een belastingtegoed (zogenoemde tax credits) wordt er – kort gezegd – een vermindering gegeven op de verschuldigde belasting.
Belastingtegoeden hebben invloed op de berekening van het effectieve belastingtarief. Het effect op deze berekening is afhankelijk van de vraag of het belastingtegoed als kwalificerend inkomen wordt aangemerkt of in mindering komt op de betrokken belastingen. Onder de Pijler 2-regels wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende belastingtegoeden: kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, niet-kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden en overige belastingtegoeden.
Kwalificerende belastingtegoeden
Vervolgens behandelt de staatssecretaris de huidige stand van zaken in Nederland ten aanzien van kwalificerende belastingtegoeden en welke afwegingen relevant zijn bij het introduceren van een dergelijk tegoed.
De staatssecretaris legt uit dat de Nederlandse wetgeving verschillende fiscale regelingen in de winstsfeer kent die ondernemers stimuleren om te investeren, bijvoorbeeld de innovatiebox, de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). De voornoemde regelingen kwalificeren volgens de staatssecretaris in de huidige vorm niet als kwalificerende belastingtegoeden in de zin van de minimumbelasting. Nederland kent dus momenteel geen fiscale regeling die als een kwalificerend belastingtegoed ("tax credit") kan worden aangemerkt.
De staatssecretaris laat vervolgens weten dat in het kader van het vestigingsklimaat kan worden afgewogen om een kwalificerend belastingtegoed in te voeren, omdat veel andere landen een dergelijke regeling wel kennen. Bij de afweging is volgens de bewindsman een zorgvuldige analyse nodig van nut en noodzaak, waarbij het toetsingskader fiscale regelingen de leidraad vormt.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.