Novelle werkt uit welke vermogensbestanddelen vanaf 2028 onder vermogenswinstbelasting vallen en welke tijdelijk onder vermogensaanwasbelasting blijven
In aanvulling op onze berichtgeving van vorige week over de voorstellen voor box 3, koopkracht en sociale zekerheid (zie EYFN 2026/40) heeft het kabinet de novelle bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en de bijbehorende memorie van toelichting gepubliceerd.
Uitbreiding vanaf 2028
Met deze novelle wil het kabinet de voorgestelde vermogenswinstbelasting met ingang van 2028 uitbreiden van onroerende zaken en aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen naar alle financiële instrumenten.
Onder financiële instrumenten vallen onder meer verhandelbare aandelen, obligaties en andere verhandelbare schuldinstrumenten, rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en verschillende soorten derivaten, zoals opties, futures en swaps. Ook niet-verhandelbare aandelen en winstbewijzen worden voor box 3 als financiële instrumenten aangemerkt. Daarmee valt vanaf de start van het nieuwe stelsel het merendeel van het vermogen in box 3, namelijk onroerende zaken en alle financiële instrumenten, onder de vermogenswinstbelasting
Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardeontwikkeling belast op het moment waarop deze wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop. Reguliere voordelen, zoals rente en dividend, worden jaarlijks belast. Het resultaat bestaat uit reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen, verminderd met kosten. Het vervreemdingsvoordeel wordt bepaald door de verkrijgingsprijs af te trekken van de overdrachtsprijs. Voor financiële instrumenten die op 1 januari 2028 al tot het vermogen behoren, wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer op die datum. Waardeontwikkelingen van vóór 1 januari 2028 blijven daardoor buiten de vermogenswinstbelasting.
Tijdelijk vermogensaanwasbelasting
Voor een aantal vermogensbestanddelen blijft vanaf 1 januari 2028 tijdelijk de vermogensaanwasbelasting gelden. Het betreft directe cryptobeleggingen (crypto wallets), verzekeringsproducten, lijfrentes en periodieke uitkeringen voor zover deze niet in box 1 zijn betrokken, vorderingen en schulden voor zover deze niet als financieel instrument kwalificeren, banktegoeden, vreemde valuta en overige vermogensbestanddelen, zoals roerende zaken ter belegging. Bij de vermogensaanwasbelasting wordt de waardeontwikkeling jaarlijks in de heffing betrokken, ongeacht of deze is gerealiseerd.
Het kabinet zal voorstellen uitwerken om deze vermogensbestanddelen zo snel mogelijk na 2028 eveneens onder de vermogenswinstbelasting te brengen. Naar verwachting is dit vanaf 2030 mogelijk. Deze verdere uitbreiding is nog niet in de novelle opgenomen en wordt in een afzonderlijk voorstel uitgewerkt.
Dekkingsmaatregelen
De novelle bevat vooralsnog een technische invulling van de eerder aangekondigde dekkingsmaatregelen. Het kabinet zal alternatieve voorstellen uitwerken om kleine spaarders bij de dekking te ontzien. De opgenomen maatregelen betreffen onder meer een tijdelijke verlaging van het tarief van de tweede schijf in box 2 naar 29,2%, een stapsgewijze verlaging van het maximumbedrag voor excessief lenen bij de eigen BV naar € 100.000 en aanpassingen van het forfait, het heffingvrije vermogen en het heffingsvrije resultaat in box 3.
Spoedbehandeling
De staatssecretaris verzoekt om spoedbehandeling door de Afdeling advisering van de Raad van State. Invoering per 2028 is volgens hem alleen mogelijk als zowel de novelle als het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 uiterlijk in december 2026 door beide Kamers zijn aangenomen. Een definitief oordeel over de uitvoeringsgevolgen volgt nadat de uitvoeringstoets is afgerond.
De novelle en achterliggende stukken vindt u hier.