Staatssecretaris geen voorstander van tariefdifferentiatie; Geen van de varianten geeft aanleiding tot beleidswijziging
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de Tweede Kamer het onderzoek tariefdifferentiatie kansspelbelasting toegestuurd. De staatssecretaris geeft aan dat naar aanleiding van een motie bij het Belastingplan 2025 is onderzocht wat de opties en uitvoeringsimplicaties zijn voor tariefdifferentiatie in de kansspelbelasting. Hij merkt op dat hij geen voorstander is van tariefdifferentiatie, maar desondanks enkele varianten heeft verkend. In zijn brief licht hij eerst de context en het proces toe, vervolgens de onwenselijkheid van differentiatie, en sluit af met een toelichting op de onderzochte varianten.
De staatssecretaris wijst erop dat de Kamer meerdere keren aandacht heeft gevraagd voor tariefdifferentiatie, onder andere via eerdere moties en een amendement. De directe aanleiding voor het huidige onderzoek is de verhoging van de kansspelbelasting zoals opgenomen in het Belastingplan 2025 (34,2% in 2025 en 37,8% in 2026). Volgens de staatssecretaris was het doel van de motie om de mogelijke negatieve gevolgen van deze verhoging voor afdrachten aan goede doelen en sportsector te mitigeren, door belastingverlaging voor afdragende aanbieders en verhoging bij overige aanbieders.
De bewindsman benadrukt dat vanwege de blijvende Kamerinteresse, de motie grondig is uitgewerkt, inclusief consultatie van relevante partijen zoals de kansspelsector, goede doelen, sportorganisaties en verslavingsdeskundigen. Ambtelijk zijn vier varianten ontwikkeld en besproken. Daarnaast werd in de consultatie een vijfde alternatieve variant aangedragen.
Bezwaren tegen tariefdifferentiatie
De staatssecretaris merkt op dat kansspelaanbieders ook onder het kansspelbeleid vallen, waarvoor de staatssecretaris van Rechtsbescherming verantwoordelijk is. Deze heeft recent beleidswijzigingen aangekondigd die gericht zijn op risicogericht beleid.
Wat betreft de onwenselijkheid van tariefdifferentiatie stelt de staatssecretaris dat dit strijdig is met het kabinetsstreven naar een eenvoudiger belastingstelsel. Daarnaast biedt het volgens hem geen garantie voor het op peil blijven van afdrachten aan goede doelen en sport, is het niet in lijn met het kansspelbeleid en legt het extra druk op de capaciteit van de Belastingdienst. Ook wijst hij op afbakeningsproblematiek, risico op ongeoorloofde staatssteun en mogelijke perverse prikkels voor aanbieders om producten aan te passen voor fiscale voordelen. Volgens de bewindsman is het maatschappelijk belang van de beoogde doelstelling relatief beperkt en zouden andere instrumenten, zoals subsidies, meer geëigend zijn.
Onderzochte varianten en vervolg
De vier uitgewerkte varianten zijn:
- Uniformering belastinggrondslag naar brutospelresultaat – leidt tot hogere belastingdruk voor loterijen
- Hervormen naar een inlegbelasting – verlaagt de druk voor loterijen, verhoogt die voor andere aanbieders
- Gebruteerd tarief voor aanbieders – vergelijkbaar met het systeem van vóór 2008, met verlaging voor loterijen
- Omzetbelasting bij online kansspelen – technisch en juridisch onwenselijk volgens een quickscan
De staatssecretaris concludeert dat geen van de varianten aanleiding geeft tot beleidswijziging. Hij en de staatssecretaris van Rechtsbescherming zullen de gevolgen van de belastingverhoging monitoren en de Kamer hierover informeren in het tweede kwartaal van 2026.
Het gehele onderzoek vindt u hier.