Prejudiciële vragen over aftrekposten van buitenlands belastingplichtigen

Hoge Raad vraagt EU-Hof om duidelijkheid over fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen met gedeeltelijk inkomen uit Nederland

De Hoge Raad heeft recentelijk prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over belastingheffing bij buitenlands belastingplichtigen (niet-ingezetenen) die slechts een deel van hun inkomen in Nederland verwerven. De vragen hebben betrekking op de reikwijdte van de zogenoemde Schumackerdoctrine, die bepaalt wanneer het land waar het inkomen wordt genoten (meestal waar werkzaamheden worden verricht) verplicht is rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezeten belastingplichtige.

Onderhavige zaken

De Hoge Raad behandelt drie verschillende zaken, twee in Frankrijk en één in België wonende belastingplichtige met Nederlands inkomen. In alle zaken is er geen sprake van een zogenoemde kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Dit betekent dat het inkomen van belanghebbende niet tenminste voor 90% aan de heffing van inkomstenbelasting of loonbelasting in Nederland is onderworpen. Dit heeft tot gevolg dat de belanghebbenden geen toegang hebben tot een wettelijke regeling op grond waarvan zij gebruik kunnen maken van dezelfde aftrekposten (zoals bijvoorbeeld de hypotheekrenteaftrek), heffingskortingen en tariefstructuur als binnenlandse belastingplichtigen.

Overwegingen Hoge Raad 

De kernvraag in alle drie de zaken is of Nederland als werkstaat op basis van EU-recht desondanks toch verplicht is rekening te houden met de persoonlijke situatie van deze buitenlands belastingplichtigen. De Hoge Raad geeft aan dat onduidelijk is op welke wijze volgens het EU-recht moet worden beoordeeld of de werkstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezetene. Meer specifiek is het volgens de Hoge Raad niet duidelijk welk aandeel van het inkomen een buitenlands belastingplichtige in de werkstaat moet verdienen om zich in een met een binnenlands belastingplichtige vergelijkbare situatie te bevinden.

Prejudiciële vragen

De Hoge Raad heeft over de onduidelijkheden vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. De vragen zijn als volgt samen te vatten:

Hoofdvraag over vergelijkbare situatie

De Hoge Raad vraagt of een buitenlandse belastingplichtige pas als fiscaal vergelijkbaar met een inwoner van Nederland kan worden beschouwd als hij (vrijwel) zijn volledige belastbare inkomen in Nederland heeft verdiend.

Verplichting tot rekening houden met persoonlijke situatie

Als het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, wil de Hoge Raad weten of Nederland dan verplicht is bij de belastingheffing rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de buitenlandse belastingplichtige, wanneer het inkomen in het woonland wel belastbaar is, maar te laag om daar fiscaal voordeel (zoals aftrekposten of heffingskortingen) te benutten.

Betekenis van het partnerinkomen

De Hoge Raad vraagt in hoeverre bij de beoordeling van de fiscale vergelijkbaarheid met een ingezetene ook het inkomen van de partner van de belastingplichtige moet worden meegenomen.

Bepalend recht voor inkomensverdeling

Verder wordt gevraagd of bij het bepalen van het in Nederland verdiende deel van het wereldinkomen moet worden uitgegaan van het belastingrecht van het woonland of van het werkland (Nederland).

Reikwijdte van het inkomensbegrip

Tot slot vraagt de Hoge Raad of bij het beoordelen van het in Nederland verworven inkomen alleen naar arbeidsinkomen moet worden gekeken, of dat ook andere inkomsten, zoals uit sparen en beleggen, moeten worden meegewogen.

De Hoge Raad heeft de behandeling van de zaken opgeschort in afwachting van de beantwoording van deze vragen door het Europese Hof van Justitie.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.