Renteaftrekbeperking niet in strijd met vrijheid van vestiging

Hoge Raad beslist dat weigering van renteaftrek, ook bij marktconforme voorwaarden, verenigbaar is met EU-recht. Rente in aftrek beperkt, omdat geen sprake was van spilfunctie, maar van doorgeefluik

De Hoge Raad heeft recentelijk einduitspraak gedaan in een zaak over de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969 in het licht van Europees recht. De Hoge Raad geeft uitleg hoe het arrest van het Europese Hof van Justitie over volstrekt kunstmatige constructies begrepen moet worden. 

De Hoge Raad beslist dat de in deze zaak aangegane leningen elke economische grondslag misten en niet tot stand zouden zijn gekomen indien geen bijzondere betrekkingen tussen de betrokken partijen hadden bestaan en geen belastingvoordeel was beoogd. Daaruit volgt dat het volledig uitsluiten van de renteaftrek niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. 

Achtergrond

De Hoge Raad heeft in september 2022 prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over hoe het begrip volstrekt kunstmatige constructie binnen de renteaftrekbeperking moet worden uitgelegd in het licht van Europeesrechtelijke jurisprudentie (Lexel-arrest). Het Europese Hof van Justitie besliste in oktober 2024 dat de renteaftrekbeperking weliswaar een beperking vormt van de vrijheid van vestiging, maar daar is volgens het hof een rechtvaardiging voor die niet verder gaat dan noodzakelijk is om het doel te bereiken. 

Na dit arrest van het Hof van Justitie hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, waarna de Hoge Raad de zaak verder heeft beoordeeld. Belanghebbende is van mening dat in zijn zaak geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. Verder doet belanghebbende een beroep op het zogenoemde Spilfunctie-arrest van de Hoge Raad, dat door de Hoge Raad na het stellen van de prejudiciële vragen is gewezen. Volgens belanghebbende heeft haar leningverstrekker een financiële spilfunctie als bedoeld in dat arrest. Dat zou betekenen dat belanghebbende aan de tegenbewijsregeling van de renteaftrekbeperking (art. 10a Wet VPB 1969) zou voldoen en de rente aftrekbaar is.

Overwegingen van de Hoge Raad

De Hoge Raad geeft aan dat uit het arrest van het Hof van Justitie volgt dat de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet VPB 1969 niet in strijd is met de vrijheid van vestiging. Volgens de Hoge Raad kan een beperking van die vrijheid worden gerechtvaardigd door de noodzaak om belastingfraude en belastingontwijking te voorkomen en om volstrekt kunstmatige constructies te bestrijden. De Hoge Raad merkt op dat de regeling geschikt is om dit doel op coherente en systematische wijze te bereiken. Volgens de Hoge Raad gaat de regeling niet verder dan noodzakelijk. De weigering van renteaftrek is beperkt tot gevallen waarin een lening binnen een groep in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat zij niet noodzakelijk is voor zakelijke doeleinden en niet zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke partijen. In die gevallen is de volledige weigering van renteaftrek verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel.

De Hoge Raad geeft verder aan dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie niet volgt dat een lening per definitie geen volstrekt kunstmatige constructie kan zijn wanneer zij tegen marktconforme voorwaarden is aangegaan. Marktconformiteit van rente en voorwaarden sluit niet uit dat een lening in overwegende mate is ingegeven door fiscale motieven en geen economische realiteit weerspiegelt.

De Hoge Raad geeft aan dat bij de beoordeling doorslaggevend is of fiscale overwegingen gericht op belastingontwijking de doorslaggevende reden zijn geweest voor het aangaan van de lening. Dat er daarnaast ook andere bedrijfseconomische overwegingen bestaan, doet daaraan niet af indien belastingbesparing de overheersende drijfveer is geweest.

De Hoge Raad merkt op dat het gerechtshof aannemelijk heeft geacht dat belastingbesparing de doorslaggevende reden was voor het omleiden van de geldstromen via een buitenlandse groepsvennootschap. Daarbij is niet aannemelijk geacht dat deze vennootschap in het kader van de betreffende financiering een financiële spilfunctie vervulde. De Hoge Raad is het eens met de vaststelling van het hof dat de buitenlandse groepsvennootschap niet méér is geweest dan een doorgeefluik, omdat eigen vermogen dat binnen het concern aanwezig was, is omgeleid en in vreemd vermogen bij belanghebbende is omgezet.

Kortom, volgens de Hoge Raad was het weigeren van renteaftrek in deze zaak niet in strijd is met het EU-recht.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.