Staatssecretaris informeert over Side-by-Side-akkoord over Pijler 2, inclusief erkenning van equivalente belastingstelsels, vereenvoudigingen en aangepaste behandeling van fiscale regelingen
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd over het akkoord dat binnen het Inclusive Framework (IF) van de OESO is bereikt over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2). Dit akkoord, aangeduid als het zogenoemde Side-by-Side-pakket, is op 5 januari 2026 tot stand gekomen en volgt op intensieve onderhandelingen in het afgelopen jaar, mede naar aanleiding van zorgen van onder meer de Verenigde Staten over de samenloop van hun nationale minimumbelasting met Pijler 2.
Het Side-by-Side-pakket bevat afspraken waarmee bepaalde belastingstelsels onder strikte voorwaarden kunnen worden erkend als equivalent aan Pijler 2, bevat diverse vereenvoudigingsmaatregelen en voorziet in een ruimere, maar begrensde, gunstige behandeling van bepaalde fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Volgens de staatssecretaris waarborgt het akkoord in grote lijnen de doelstellingen van Pijler 2, terwijl tegelijkertijd internationale stabiliteit en een zo breed mogelijk netwerk van minimumbelastingen behouden blijft.
Context van Pijler 2
De staatssecretaris licht toe dat Pijler 2 beoogt te waarborgen dat multinationale groepen met een omzet van minimaal € 750 miljoen altijd ten minste 15% effectieve winstbelasting betalen. Dit gebeurt via een systeem van bijheffingen wanneer in een jurisdictie onvoldoende belasting wordt geheven. Het doel is tweeledig: het verminderen van de prikkel tot winstverschuiving naar laagbelastende jurisdicties en het stellen van een ondergrens aan internationale belastingconcurrentie. Hiermee moet een race naar de bodem worden voorkomen en een gelijker speelveld voor internationaal opererende bedrijven worden gecreëerd.
De bewindsman legt uit dat de Pijler 2-regels in Nederland geïmplementeerd zijn via de Wet minimumbelasting 2024, waarmee de Europese richtlijn over het mondiale minimumniveau van belastingheffing is omgezet in nationale wetgeving. De bijheffing kan plaatsvinden via drie instrumenten: de binnenlandse bijheffing (DMTT), de inkomen-inclusiemaatregel (IIR) en de onderbelastewinstmaatregel (UTPR).
De staatssecretaris merkt op dat inmiddels meer dan 65 jurisdicties Pijler 2 hebben ingevoerd of daartoe stappen hebben gezet, waaronder de EU-lidstaten en grote economieën als het VK, Japan en Canada. Tegelijkertijd hebben enkele belangrijke handelslanden Pijler 2 niet geïmplementeerd, wat ertoe kan leiden dat andere landen bijheffen over winsten die daar onvoldoende belast worden, ook als die landen zelf een robuust belastingstelsel kennen. Dit vormde de aanleiding om te onderhandelen over erkenning van equivalente belastingstelsels.
Nederlandse inzet
De staatssecretaris geeft aan dat Nederland in de onderhandelingen heeft ingezet op het behoud van de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel en op het waarborgen van de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2. Daarbij stond het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven centraal. Nederland heeft zich onder meer ingezet voor robuuste criteria voor equivalentie, een stevig evaluatiemechanisme, vereenvoudiging van de regels en een ruimere behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit.
Side-by-Side-systeem
Volgens de staatssecretaris blijft Pijler 2 het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belasting. Tegelijk erkent het IF dat sommige jurisdicties een eigen, robuust systeem hebben dat een vergelijkbaar minimumniveau garandeert. Daarom zijn twee nieuwe veiligehavenregels afgesproken: de Side-by-Side Safe Harbour en de Ultimate Parent Entity (UPE) Safe Harbour.
De Side-by-Side Safe Harbour voorziet in een vrijstelling van bijheffing onder de IIR en UTPR voor multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij is gevestigd in een kwalificerende jurisdictie. Voor kwalificatie gelden strikte criteria, waaronder een statutair vennootschapsbelastingtarief van minimaal 20% en het ontbreken van een materieel risico dat winsten effectief onder de 15% worden belast. Voor buitenlandse winsten gelden aanvullende eisen, zoals een brede heffingsgrondslag en adequate BEPS-maatregelen.
De staatssecretaris merkt op dat het IF heeft vastgesteld dat het Amerikaanse belastingstelsel aan deze voorwaarden voldoet. Amerikaanse multinationals worden daardoor vrijgesteld van Pijler 2-bijheffing onder de IIR en UTPR, terwijl binnenlandse bijheffingen in andere landen van toepassing blijven en door de VS moeten worden verrekend.
De UPE Safe Harbour ziet specifiek op de jurisdictie van de uiteindelijke moedermaatschappij en vervangt de tijdelijke veiligehavenregel voor de UTPR die eind 2025 afloopt, zij het onder strengere voorwaarden.
Daarnaast is afgesproken dat in 2029 een evaluatie ("stocktake") plaatsvindt om eventuele risico’s voor het gelijke speelveld of voor grondslaguitholling en winstverschuiving te identificeren en zo nodig te adresseren.
Vereenvoudigingsmaatregelen
De staatssecretaris geeft aan dat het pakket ook belangrijke vereenvoudigingen bevat. De tijdelijke Country-by-Country Reporting-veiligehavenregel wordt met een jaar verlengd tot en met verslagjaren die starten op of voor 31 december 2027. Daarnaast wordt vanaf 2027 een permanente Simplified Effective Tax Rate Safe Harbour ingevoerd, waarmee het effectieve belastingtarief kan worden vastgesteld op basis van financiële verslaggeving met beperkte correcties. Ten slotte is een programma afgesproken voor verdere vereenvoudiging en administratieve richtsnoeren.
Behandeling van fiscale regelingen
De staatssecretaris merkt op dat het akkoord voorziet in een nieuwe Substance-based Tax Incentive Safe Harbour. Deze biedt een gunstige behandeling voor bepaalde fiscale regelingen die samenhangen met reële economische activiteit, zoals uitgaven- of productiegerelateerde prikkels. Het belastingbedrag dat aan deze regelingen is toe te rekenen, kan onder voorwaarden meetellen in de betrokken belastingen, tot een gemaximeerd bedrag. Dit maximum is gekoppeld aan loonkosten, afschrijvingen of de boekwaarde van materiële vaste activa. Volgens de staatssecretaris waarborgt deze vormgeving dat de gunstige behandeling is beperkt tot situaties met daadwerkelijke economische aanwezigheid en niet leidt tot uitholling van de Pijler 2-doelstellingen.
Appreciatie en budgettaire gevolgen
Volgens de bewindsman is het kabinet positief over het totaalpakket, omdat de kern van Pijler 2 behouden blijft en internationale stabiliteit wordt bevorderd. Wel leiden de versoepelingen tot een geraamde budgettaire derving van circa € 120 miljoen per jaar ten opzichte van het oorspronkelijke opbrengstpad van € 466 miljoen. Desondanks blijft de verwachte opbrengst van Pijler 2 voor Nederland positief.
Vervolgproces
Tot slot geeft de staatssecretaris aan dat het kabinet voornemens is het Side-by-Side-pakket uit te werken in een separaat wetsvoorstel, dat naar verwachting vóór de zomer van 2026 bij de Kamer wordt ingediend. Hierbij zal ruimte zijn voor consultatie van belanghebbenden, een uitvoeringstoets door de Belastingdienst en een herijking van de budgettaire raming.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.
Een EY Global Tax Alert vindt u hier.
Het persbericht van de OECD vindt u hier.