Geen waarderingsvoorschrift buitenlandse beleggingsfondsen, geen vrijstelling vennootschapsbelasting woningcorporaties; aanpassing lucratief belang op Prinsjesdag
De staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk in een brief aan de Tweede Kamer nadere toelichting gegeven op verschillende onderwerpen die tijdens het wetgevingsoverleg over de Fiscale verzamelwet 2026 op 3 september 2025 aan de orde kwamen. Ook geeft hij een appreciatie van de ingediende amendementen. De staatssecretaris gaat onder meer in op een waarderingsvoorschrift voor buitenlandse beleggingsfondsen, vennootschapsbelastingplicht voor woningcorporaties, de samenhang tussen lucratief belang met box 3, een verlaging van de overdrachtsbelasting en het invoeren van een leegstandsheffing.
Waarderingsvoorschrift buitenlandse beleggingsfondsen
De staatssecretaris gaat in op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, waarin is geoordeeld dat Duitse Immobilien Sondervermögen die Nederlands vastgoed hielden, niet buitenlands vennootschapsbelastingplichtig waren. Daardoor werden de resultaten uit dat vastgoed niet in Nederland belast. Per 1 januari 2025 is dit gewijzigd en zijn deze fondsen wel belastingplichtig. Bij het ontstaan van de belastingplicht wordt een openingsbalans opgesteld waarbij vermogensbestanddelen in beginsel tegen waarde in het economische verkeer worden gewaardeerd.
De staatssecretaris is gevraagd naar de mogelijkheid om het vastgoed lager te waarderen. De staatssecretaris geeft aan dat het alsnog belasten van waardestijgingen van vóór 2025 zou neerkomen op heffing met terugwerkende kracht. Hij merkt op dat terughoudend moet worden omgegaan met verzwarende maatregelen die terugwerkende kracht hebben. Volgens de bewindsman zijn er geen voldoende rechtvaardigingen aanwezig. Daarbij wijst hij op risico’s van dubbele belastingheffing, mogelijke rechtsongelijkheid tussen belastingplichtigen, uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst en juridische procedures. Om die redenen ziet hij meerdere zwaarwegende bezwaren tegen een dergelijk waarderingsvoorschrift.
Vennootschapsbelastingplicht woningcorporaties
De staatssecretaris gaat vervolgens in op de vraag of woningcorporaties kunnen worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelastingplicht werd destijds ingevoerd omdat woningcorporaties zich ook met duurdere huur- en koopwoningen, bedrijfsmatig vastgoed en projectontwikkeling bezighielden, waardoor de vrijstelling marktverstorend werkte. De staatssecretaris merkt op dat verschillende mogelijkheden om woningcorporaties geheel of gedeeltelijk vrij te stellen al eerder in kaart zijn gebracht, maar dat deze op aanzienlijke bezwaren stuiten. De staatssecretaris wijst erop dat dit vraagstuk omvangrijk en complex is, waarbij rekening moet worden gehouden met staatssteunregels, budgettaire gevolgen en uitvoeringsaspecten. Hij geeft aan dat het niet realistisch is om een dergelijke vrijstelling al in het Belastingplan 2026 uit te werken.
Lucratief belang en box 3
De staatssecretaris gaat verder in op vragen over de samenhang tussen lucratief belang en box 3. Hij geeft aan dat voordelen uit lucratief belang een hybride karakter hebben, met kenmerken van zowel arbeidsinkomen (box 1) als beleggingsinkomen (box 3). Er is een amendement ingediend om voordelen uit lucratief belang in box 2 effectief te belasten naar het tarief van box 3 (36%). De staatssecretaris wijst erop dat schrappen van de box 2-variant tot veel ingewikkelde discussies zou leiden zolang box 3 nog forfaitair is. Hij benadrukt dat verdere herziening pas kan worden overwogen zodra zekerheid bestaat over het nieuwe box 3-stelsel, op zijn vroegst per 1 januari 2028.
De staatssecretaris gaat ook in op het amendement om voordelen uit lucratief belang in box 2 zwaarder te belasten door invoering van een multiplier (zie hierover ook EYFN 2025/28). Uit het antwoord van de staatssecretaris is op te maken dat een dergelijke maatregel waarschijnlijk in het Belastingplan 2026 zal worden opgenomen.
Amendement over overdrachtsbelasting en leegstandheffing
De staatssecretaris bestempelt een amendement over verlaging van de overdrachtsbelasting van 8% naar 6% voor niet-hoofdverblijfwoningen als ontijdig (het is nog te vroeg om er een oordeel erover te geven). Een verlaging zou een mogelijke stimulans voor investeringen zijn, maar kan ook de positie van starters en doorstromers verslechteren.
Een amendement over invoering van een gemeentelijke leegstandsheffing wordt ontraden. De staatssecretaris verwijst naar het wetsvoorstel Wet aanpak leegstand dat reeds door de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in consultatie is gebracht.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.