Verhuurderheffing niet onrechtmatig

Hoge Raad bevestigt dat de verhuurderheffing niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het eigendomsrecht

De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld dat de verhuurderheffing rechtmatig is en geen strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel of het eigendomsrecht.

Achtergrond en geschil

Een belastingplichtige had bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing over de jaren 2019, 2020 en 2021. Zij stelde dat deze heffing onrechtmatig was. Nadat de rechtbank en het gerechtshof deze stelling hadden verworpen, werd cassatie ingesteld. De zaken maakten deel uit van een cluster van 56 procedures waarin vergelijkbare rechtsvragen aan de orde waren. Centraal stond onder meer de vraag of de verhuurderheffing was gekoppeld aan de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH). Volgens de belastingplichtige vormde de IAH een bestaansvoorwaarde voor de verhuurderheffing en diende de heffing om inkomsten uit de IAH af te romen. Daarnaast werd aangevoerd dat de heffing in strijd zou zijn met het eigendomsrecht, omdat deze niet aansluit bij de feitelijke inkomsten van verhuurders. Ook werd gesteld dat in 2019 sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Geen koppeling met huurverhoging

De Hoge Raad oordeelt dat er geen formeel of financieel verband bestaat tussen de verhuurderheffing en de IAH. De invoering van de IAH was geen voorwaarde voor de invoering van de verhuurderheffing. Evenmin blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever een dergelijke koppeling heeft beoogd. Volgens de Hoge Raad is de primaire doelstelling van de verhuurderheffing het genereren van inkomsten. Dat de IAH en de verhuurderheffing deel uitmaken van een breder pakket aan maatregelen voor de woningmarkt, betekent niet dat de heffing afhankelijk is van de opbrengsten uit de IAH of daarop is afgestemd.

Karakter van de heffing

De Hoge Raad verwerpt ook de stelling dat de verhuurderheffing vergelijkbaar is met de vroegere vermogensrendementsheffing. De heffing sluit niet aan bij het inkomen van verhuurders. Uit de conclusie van de Advocaat-Generaal volgt dat de verhuurderheffing moet worden aangemerkt als een belasting op basis van de WOZ-waarde en daarmee als een vermogensbelasting. Daarmee faalt ook het betoog dat de heffing in strijd is met het eigendomsrecht omdat zij niet is gebaseerd op daadwerkelijk behaalde inkomsten uit verhuur of huurverhogingen.

Gelijkheidsbeginsel in 2019

Ten aanzien van het jaar 2019 erkent de Hoge Raad dat sprake was van een ongelijke behandeling tussen verhuurders met volle eigendom en verhuurders in mede-eigendom. Mede-eigenaren werden in dat jaar niet belast, terwijl volle eigenaren wel verhuurderheffing verschuldigd waren. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze ongelijke behandeling gerechtvaardigd was. Deze was het gevolg van een tijdelijke reactie van de Belastingdienst op een eerder arrest uit 2018, waarin een ongelijke behandeling binnen de groep mede-eigenaren was geconstateerd. Door de heffing voor mede-eigenaren buiten toepassing te laten, werd dit gebrek tijdelijk hersteld. Van belang is dat de wetgever vervolgens binnen een redelijke termijn een nieuwe regeling heeft ingevoerd. Met de wetswijziging van 8 juli 2020 is de heffingsverdeling tussen mede-eigenaren aangepast, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Daarom is volgens de Hoge Raad geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.