Vertrouwen over fiscale woonplaats

Hoge Raad oordeelt dat inspecteur bij belastingplichtige in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat hij in een deel van het jaar niet in Nederland woonde

De Hoge Raad heeft recentelijk geoordeeld in een geschil over de fiscale woonplaats van een bestuurder van een vennootschap die in het buitenland woonde en in 2016 terugkeerde naar Nederland. Daarbij stond centraal of de belastingplichtige mocht vertrouwen op eerder ingenomen standpunten van de inspecteur over zijn woonplaats. 

Achtergrond

Bij het opleggen van de aanslag stelde de inspecteur zich aanvankelijk op het standpunt dat de belastingplichtige gedurende heel 2016 buiten Nederland woonde. In de bezwaarfase wijzigde de inspecteur dat standpunt en nam hij aan dat de belastingplichtige vanaf 18 april 2016 in Nederland woonde. Daarbij werden ook bepaalde arbeidsinkomsten in de heffing betrokken. 

Voor het hof was vervolgens in geschil of de belastingplichtige in de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 april 2016 inwoner van Nederland was. De inspecteur stelde zich daarbij op het standpunt dat ook in die periode sprake was van een Nederlandse woonplaats. Het hof volgde dat standpunt en verwierp daarnaast het beroep op het vertrouwensbeginsel. 

Naast de woonplaatskwestie waren ook geschilpunten aan de orde over een beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot eerder toegekende aandelenrechten en over het gelijkheidsbeginsel. 

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Volgens de Hoge Raad moet een beroep op het vertrouwensbeginsel worden beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven. Beslissend is of een belastingplichtige uit uitlatingen of gedragingen van de inspecteur onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht afleiden hoe de inspecteur zijn bevoegdheid zou uitoefenen. 

Uit de stukken blijkt volgens de Hoge Raad dat de inspecteur zich tijdens zowel de aanslagfase als de bezwaarfase uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de belastingplichtige in de eerste periode van 2016 niet in Nederland woonde. Dat standpunt was gebaseerd op onderzoek naar de woonplaats gedurende het gehele jaar 2016, waarbij de inspecteur beschikte over alle relevante feiten en omstandigheden. Daardoor is volgens de Hoge Raad in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de belastingplichtige in die periode niet in Nederland woonde. 

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen vertrouwen kon worden ontleend aan een eerder afgegeven ruling over toegekende aandelenrechten. Het hof had niet gereageerd op de stelling dat die ruling op zichzelf beschouwd al vertrouwen kon wekken dat Nederlandse belastingheffing achterwege zou blijven. 

Ook slaagt de klacht over het gelijkheidsbeginsel. De belastingplichtige had aangevoerd dat twee medebestuurders eveneens buiten Nederland woonden en gebruikmaakten van een vergelijkbare salarisstructuur. Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van gelijke gevallen. 

Vervolg

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Het verwijzingshof moet ervan uitgaan dat de belastingplichtige in de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 april 2016 niet als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt. Daarnaast moet opnieuw worden beoordeeld of vertrouwen kon worden ontleend aan de ruling over aandelenrechten en of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.