Rechtbank oordeelt dat wetgever met eigenwoningforfait en Wet Hillen binnen de aan hem toekomende beoordelingsmarge blijft
Rechtbank Noord-Holland heeft recentelijk geoordeeld dat het eigenwoningforfait, specifiek de laatste schijf van dit forfait en de “Wet Hillen” niet strijdig zijn met het Europese mensenrechtenverdrag, specifiek met artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 14 EVRM.
Belastbare inkomsten uit eigen woning; eigenwoningforfait en Wet Hillen
Inkomen uit de eigen woning is belast in box 1 van de inkomstenbelasting. De inkomsten uit de eigen woning worden bepaald door middel van een forfait, het eigenwoningforfait. De “villatax” houdt – gestileerd weergegeven - in dat voor zover de WOZ-waarde van een eigen woning de € 1.310.000 overstijgt (drempel voor 2024; uitspraak ziet op 2021) een (sterk) verhoogd eigenwoningforfait van 2,35% geldt. Het forfait beoogt een weerspiegeling te zijn van alle opbrengsten en kosten van de woning, met uitzondering van de hypotheekrente. De hypotheekrente zit niet in het forfait en is (beperkt) aftrekbaar. Aangezien de hypotheekrente in de meeste gevallen hoger is dan het forfait, leidt dat per saldo tot een aftrekpost in box 1. Wel is de mogelijkheid tot hypotheekrenteaftrek de afgelopen jaren verder afgebouwd.
Mocht er sprake zijn van een lage hypotheekschuld, bijvoorbeeld omdat er in het verleden veel is afgelost, dan kan het zijn dat het eigenwoningforfait hoger is dan de hypotheekrente. In dergelijke gevallen zorgde de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (“Wet Hillen”) ervoor dat het per saldo als inkomen uit de eigen woning aan te geven bedrag niet hoger kon zijn dan € 0. Echter, ook de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is in de afgelopen jaren afgebouwd en wordt nog verder afgebouwd, zodat in situaties met geen of een geringe eigenwoningschuld een (hoger) bedrag aan inkomen uit de eigen woning belast is.
Onderhavige zaak
In onderhavige zaak beschikt een persoon samen met zijn fiscale partner over een eigen woning. De WOZ-waarde van deze woning voor het jaar 2021 bedraagt € 2.377.000. De definitieve aanslag is overeenkomstig de aangifte vastgesteld. Het vastgestelde saldo inkomsten en aftrekposten uit de eigen woning bedraagt € 2.898 positief, is volledig toegerekend aan desbetreffende persoon en is als volgt opgebouwd: Eigenwoningforfait € 35.324; (minus) Aftrekbare rente € 6.336; (minus) Aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld € 26.090.
In geschil is het positieve saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning van € 2.898. Meer specifiek is in geschil of heffing van de op grond van de wet verschuldigde belasting over het positieve saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning leidt tot schending van het gelijkheidsbeginsel; schending van het evenredigheidsbeginsel; schending van het égalité-beginsel en/of schending van het EVRM.
Strijd met algemene beginselen
De rechtbank geeft aan dat uit de wettekst en de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het eigenwoningforfait van 2,35% voor woningen vanaf een bepaalde (hogere) waarde en voor het afbouwen van de Hillen-regeling. De rechter legt uit dat een rechter in principe wetten in formele zin niet mag toetsen aan onder meer algemene rechtsbeginselen. De rechtbank ziet in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die rechterlijke toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen wel mogelijk maken.
Inbreuk op het EVRM?
De rechtbank ziet ook geen strijd met het in het EVRM neergelegde gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met het eigenwoningforfait en de Wet Hillen binnen de aan hem toekomende beoordelingsmarge blijft.
Meer specifiek oordeelt de rechtbank onder meer dat een belastingplichtige met een hoge eigenwoningschuld en een belastingplichtige met een geringe of zonder eigenwoningschuld geen gelijke gevallen zijn.
De rechtbank geeft verder aan dat kenmerkend voor het onderhavige stelsel is dat een eigenwoningbezitter, door het effect van de aftrekposten (de hypotheekrenteaftrek en/of de Hillen-regeling), uiteindelijk over maximaal tien procent van het eigenwoningforfait belasting verschuldigd is. Deze heffingsgrondslag komt de rechtbank niet disproportioneel voor. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden geconcludeerd dat belastingplichtigen voor het jaar 2021 worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de door belanghebbende gestelde schending van het EVRM zich voor het onderhavige jaar niet voordoet.
De rechtbank merkt verder nog op dat bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last, de gevolgen van de heffing over de inkomsten uit de eigen woning moeten worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang volgens de rechtbank een belangrijk aanknopingspunt. Mede gelet op het gezamenlijke box 1-inkomen van belanghebbende en zijn fiscale partner van € 150.553 is de rechtbank van oordeel dat de belastingheffing over het positieve saldo inkomsten en aftrekposten uit de eigen woning voor het onderhavige jaar niet leidt tot een individuele en buitensporige last.
Égalitébeginsel
Het égalitébeginsel voorziet in de verplichting om een schadevergoeding te betalen bij rechtmatig overheidshandelen in het algemeen belang, waarbij een burger (of een bedrijf) onevenredig nadeel lijdt ten opzichte van anderen. Daarom is voor schadevergoeding op deze grondslag vereist dat het gaat om nadeel dat slechts een kleine groep van personen treft (dus bijzonder is) en dat duidelijk groter is dan iemand normaal gesproken aan nadeel van maatregelen in het algemeen belang heeft te verwachten (dus abnormaal is). De rechtbank oordeelt dat hiervan in de onderhavige zaak geen sprake is.