Gedeeltelijke verlenging van de handhaving op arbeidsrelaties in 2026 om rust te bewaren, maar misbruik tegen te gaan
De Staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet uitvoering geeft aan aangenomen moties over de verlenging van de zogenoemde zachte landing bij de handhaving op schijnzelfstandigheid. In deze moties sprak de Kamer zorgen uit over mogelijke negatieve gevolgen voor de arbeidsmarkt en voor zelfstandigen zonder personeel. De staatssecretaris laat weten dat het kabinet deze zorgen serieus heeft genomen en heeft afgewogen tegen andere belangen, waaronder een eerlijk speelveld, de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst en internationale afspraken.
De staatssecretaris geeft aan dat het kabinet heeft besloten de zachte landing in 2026 niet volledig te verlengen. Wel wordt gekozen voor een gedeeltelijke verlenging. Dit betekent dat in 2026 bepaalde elementen van de zachte landing blijven gelden, terwijl andere onderdelen vervallen.
Volgens de bewindsman is een volledige verlenging onwenselijk, omdat dit afbreuk zou doen aan de verbetering van de handhaving op schijnzelfstandigheid die sinds begin 2025 is ingezet.
De staatssecretaris merkt op dat het handhavingsmoratorium begin 2025 is opgeheven, na een lange periode waarin nauwelijks werd gehandhaafd. Daarbij is bewust gekozen voor een zachte landing, zodat bedrijven en werkenden zich konden aanpassen aan de regels. Een volledige verlenging van deze aanpak zou volgens het kabinet een verkeerd signaal afgeven aan partijen die zich wel aan de regels houden en al inspanningen hebben geleverd om hun arbeidsrelaties op orde te brengen. Ook zou dit het momentum in de markt kunnen ondermijnen.
Volgens de bewindsman leidt een volledige verlenging er bovendien toe dat organisaties die geen actie hebben ondernomen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, juist worden bevoordeeld. Het kabinet wil dit voorkomen en ziet zich daarin gesteund door sociale partners, die hebben aangedrongen op voortzetting van de handhaving. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat afspraken met Europese instellingen worden nagekomen, waaronder de eis dat sprake is van effectieve handhaving.
Concreet houdt de gedeeltelijke verlenging in dat de Belastingdienst in 2026 geen verzuimboetes zal opleggen. Ook zal de Belastingdienst in beginsel doorgaan met bedrijfsbezoeken, waarbij het gesprek en vertrouwen centraal staan en organisaties de gelegenheid krijgen hun werkwijze te verbeteren. Hiermee wordt beoogd onnodige onrust en administratieve lasten te beperken.
Tegelijkertijd benadrukt de staatssecretaris dat in 2026 wel weer vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Dit geldt voor situaties waarin sprake is van opzet of grove schuld, zowel bij opdrachtgevers als bij werkenden. Volgens de bewindsman is het onaanvaardbaar om dergelijk gedrag onbestraft te laten, omdat dit de belastingmoraal ondermijnt. Ook blijft het mogelijk om bij controles naheffingen op te leggen en om onderzoeken te richten op een kalenderjaar of een recent aangiftetijdvak.
De staatssecretaris geeft aan dat deze aanpak recht doet aan de wens van de Kamer om rust te bewaren, terwijl tegelijkertijd effectief wordt opgetreden tegen evidente schijnzelfstandigheid. Het handhavingsplan voor 2026 zal worden aangepast aan deze keuzes en opnieuw worden gepubliceerd.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.