ZZP-dossier

De eerste zaak ging over een accountant die via zijn B.V. als zelfstandige werkte voor een accountantskantoor en volgens de rechter toch een werknemer bleek te zijn. Het kantoor zegde de overeenkomst onrechtmatig op en moet ruim € 67.000 aan vergoedingen betalen aan de inmiddels ex-werknemer. De accountant werkte sinds januari 2025 fulltime voor een accountantskantoor op basis van een “overeenkomst van opdracht” via zijn eigen B.V. In mei 2025 beëindigde het kantoor deze samenwerking. De accountant stelde dat er feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst en vroeg om vergoedingen.

De rechter oordeelde dat de samenwerking wél een arbeidsovereenkomst was. Belangrijke redenen:

  • Het werk was volledig ingebed in de organisatie en betrof de kernactiviteiten.
  • De accountant werkte fulltime, moest minimaal drie dagen per week op kantoor zijn en kon zich niet laten vervangen.
  • Hij liep geen ondernemersrisico en trad naar buiten onder de naam van het kantoor.
  • De constructie via een B.V. was vooral fiscaal ingegeven en doet niet af aan de feitelijke situatie.

Omdat de opzegging niet volgens de regels voor arbeidsovereenkomsten gebeurde (geen toestemming UWV of instemming werknemer), was deze onregelmatig. De accountant berustte in het ontslag, maar kreeg diverse vergoedingen:

  • Billijke vergoeding: € 35.000
  • Gefixeerde schadevergoeding: € 31.103,25 (drie maanden loon)
  • Transitievergoeding: € 1.436,02 Daarnaast moet het kantoor de proceskosten betalen.

De rechter stelde het loon niet gelijk aan het hoge tarief uit de opdrachtovereenkomst, maar ging uit van een “billijk” loon per maand, passend bij een ervaren accountant in loondienst.

Belangrijk signaal: Ook als partijen bewust kiezen voor een opdrachtovereenkomst, kan deze alsnog als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt als de feitelijke omstandigheden daarop wijzen. Het dwingendrechtelijke karakter van het arbeidsrecht weegt zwaarder dan de bedoeling van partijen. Omdat dit geen fiscale uitspraak is, is het niet zeker of de fiscale rechter tot dezelfde conclusie zal komen maar logischerwijs is dit uiteraard wel het geval. De volledige uitspraak vind je hier.

De tweede zaak is wel een fiscale zaak. Hier ging het om de vraag of chauffeurs in dienstbetrekking waren bij een Nederlands transportbedrijf of bij een Cypriotisch adviesbureau dat hen via payrolling aan het transportbedrijf ter beschikking stelde. De Belastingdienst vond dat sprake was van een dienstbetrekking met het transportbedrijf, onder meer omdat het bedrijf gezag uitoefende en loonbetalingen indirect regelde doordat de salarissen pas betaald werden aan de chauffeurs nadat het transportbedrijf de salariskosten aan de Cypriotisch adviesbureau hadden betaald. Het hof oordeelde echter dat de chauffeurs een arbeidsovereenkomst hadden met het adviesbureau en dat de gang van zaken, inclusief gezagsverhouding en dagelijkse aansturing door het transportbedrijf, past bij payrolling. Dat het adviesbureau pas loon uitbetaalde na betaling door het transportbedrijf en dat contracten summier waren, maakt dit niet anders. Er was geen arbeidsovereenkomst tussen chauffeurs en het transportbedrijf waardoor de naheffingsaanslagen vervallen. 

Belangrijk signaal: Ook in een situatie van payrolling blijft de formele werkgever, het payrollbedrijf, verantwoordelijk voor de arbeidsovereenkomst, zelfs als de inlener het dagelijkse gezag uitoefent en veel praktische zaken regelt. Het ontbreken van uitgebreide contracten of het feit dat de inlener voorschotten betaalt, verandert dat niet. Dagelijkse aansturing is kennelijk niet genoeg om de (payroll)overeenkomst te negeren een dienstbetrekking bij de inlener aan te nemen. De volledige uitspraak vind je hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.