Last but certainly not least: uit internationaal onderzoek onder honderden defensieleiders komen twee strategische kwetsbaarheden steeds terug. De eerste betreft de afhankelijkheid van mondiale toeleveringsketens en de beperkte robuustheid van de industriële basis. De tweede is sociale cohesie: het vermogen van een samenleving om samen te handelen wanneer het erop aankomt. Hoe graag we het ook zouden willen, het civiele en militaire domein zijn niet langer van elkaar te scheiden. De grens vervaagt. Een land wordt niet verslagen wanneer zijn krijgsmacht uitvalt, maar wanneer de samenleving het vermogen of de wil verliest om weerstand te bieden. Weerbaarheid begint daarom vaak buiten het defensiedomein.
Dat roept fundamentele vragen op. Welke rol spelen banken bij de financiering van kritieke infrastructuur? Worden bruggen, tunnels en sluizen gebouwd tegen de laagste prijs, of ontworpen om verstoringen en schade te kunnen weerstaan? Te vaak heeft efficiëntie de voorkeur gekregen boven robuustheid. Investeringen in de weerbaarheid van de civiele samenleving zijn achtergebleven, terwijl juist daar een belangrijk deel van onze nationale veerkracht ligt.
Europa beschikt daarbij over een bijzonder uitgangspunt. De ervaringen van de Tweede Wereldoorlog hebben in veel Europese landen een latent bewustzijn van civiele verdediging achtergelaten dat in andere delen van de wereld minder aanwezig is. De uitdaging is niet om die kennis opnieuw uit te vinden, maar om haar opnieuw te activeren en te vertalen naar de huidige tijd.
Landen als Zuid-Korea, Japan en Taiwan leven al decennialang met een direct besef van mogelijke dreiging. Dat heeft geleid tot een andere manier van denken over voorbereiding, capaciteit en continuïteit. Nederland zal zich dezelfde vraag moeten stellen: hoe versterken we onze maatschappelijke weerbaarheid voordat een crisis ons daartoe dwingt?
De COVID-19-pandemie liet zien hoe smal de marges soms zijn. Op bepaalde momenten balanceerde de zorg op de rand van haar beschikbare capaciteit. Die ervaring leert dat veerkracht niet ontstaat op het moment dat een crisis zich aandient, maar in de jaren daarvoor wordt opgebouwd. Zuid-Korea leeft al zeventig jaar met de mogelijkheid dat een conflict binnen enkele uren kan escaleren en weet daardoor welke capaciteit beschikbaar is en welke direct kan worden gemobiliseerd. Dat perspectief is voor veel westerse samenlevingen ongebruikelijk, maar het biedt waardevolle lessen voor de manier waarop wij over nationale weerbaarheid kunnen nadenken.
Een nieuwe standaard voor samenwerking
De opgave waar Defensie voor staat, is te groot voor één ministerie, één sector of één bestuurslaag. Zij vraagt om een fundamenteel andere manier van organiseren: van losse projecten naar duurzame verandering, van materieel naar ecosystemen, van overleg naar gezamenlijk ontwerpen en van procesgericht werken naar resultaatgericht handelen. De complexiteit van de uitdaging maakt duidelijk dat traditionele scheidslijnen steeds minder relevant worden. Het vergroten van militaire slagkracht hangt niet alleen af van nieuwe systemen en investeringen, maar ook van de mate waarin overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in staat zijn om gezamenlijk op te trekken. Geen enkele partij kan deze opgave alleen realiseren.
Dat vraagt ook om een andere benadering van sturing en verantwoording. In veel organisaties bestaat de neiging om knelpunten, auditbevindingen en tekortkomingen zo snel mogelijk af te handelen en af te vinken. Hoewel dat begrijpelijk is, leidt het niet altijd tot duurzame verbetering. De werkelijke uitdaging is niet om problemen te sluiten, maar om de onderliggende oorzaken weg te nemen en organisaties structureel sterker te maken.
Juist voor Defensie is dat verschil van groot belang. De omvang van de investeringen, de snelheid van ontwikkelingen en het maatschappelijke belang van de opgave vragen om een aanpak die verder gaat dan symptoombestrijding. Niet het voldoen aan de minimumeis moet centraal staan, maar het ontwikkelen van een organisatie die wendbaar, weerbaar en duurzaam presteert. De defensieopgave van deze tijd vraagt daarom niet om kleine aanpassingen aan bestaande werkwijzen, maar om volwassen uitvoering, lerend vermogen en langdurige samenwerking. Uiteindelijk wordt succes niet bepaald door de kwaliteit van de plannen, maar door het vermogen om deze gezamenlijk en consequent te realiseren.