Inkomensverklaring kwalificeren buitenlands belastingplichtige

Staatssecretaris stelt geen cassatie in en onderschrijft dat bewijs voor kwalificerend buitenlands belastingplichtige niet louter via een modelverklaring hoeft te worden geleverd

De staatssecretaris van Financiën heeft recentelijk toegelicht waarom geen beroep in cassatie is ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof over de bewijsvoering voor de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.

Achtergrond en feiten

Personen die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, de EER, Zwitserland of de BES-eilanden kunnen in Nederland als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt als ten minste 90% van hun gehele inkomen in Nederland in de belastingheffing wordt betrokken. Voorwaarde was wel dat zij een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van het woonland overleggen. 

Belanghebbende woonde in de jaren 2016 tot en met 2018 in Duitsland en genoot uitsluitend Nederlandse (pensioen)uitkeringen. In zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gaf hij aan dat hij kwalificerend buitenlands belastingplichtige is. De inspecteur week hiervan af omdat geen inkomensverklaring in de vorm van een door de inspecteur vastgestelde modelverklaring was overgelegd. Volgens de inspecteur was niet aannemelijk dat belanghebbende deze verklaring niet had kunnen verkrijgen. Naar nationaal recht werd daarom niet voldaan aan de voorwaarden.

Het gerechtshof oordeelde dat de wettelijke regeling moet worden uitgelegd in overeenstemming met het Unierecht. Volgens het hof staat het Unierecht toe dat bewijsstukken worden verlangd waarmee kan worden beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan. Het verzet zich echter tegen een te formalistische toepassing waarbij uitsluitend een modelverklaring als bewijs wordt geaccepteerd. Het hof stelde dat de inspecteur ook andere overgelegde bewijsmiddelen had moeten beoordelen. Het ontbreken van een modelverklaring staat daar niet aan in de weg, ook niet wanneer het verkrijgen daarvan mogelijk was.

Standpunt staatssecretaris

De staatssecretaris geeft aan af te zien van het instellen van beroep in cassatie. Daarbij wordt gewezen op een wetswijziging per 1 januari 2026, waarbij het verstrekken van een inkomensverklaring niet langer een randvoorwaarde is voor toepassing van de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Daarnaast acht de staatssecretaris van belang dat in deze zaak feitelijk is vastgesteld dat aan de hand van de overgelegde documenten aannemelijk is geworden dat aan alle materiële voorwaarden is voldaan.

De staatssecretaris geeft aan dat het oordeel van het hof als richtsnoer zal worden gehanteerd bij de behandeling van nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen. Daarbij blijft de inkomensverklaring, conform de wettelijke regeling vanaf 2026, het voorkeursbewijs.

Vervolg

Tot slot merkt de staatssecretaris op dat reeds onherroepelijk vaststaande aanslagen niet in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering. De uitspraak van het hof wordt aangemerkt als nieuwe jurisprudentie en het herziene standpunt als nieuw beleid, waardoor op grond van de relevante regeling geen ambtshalve vermindering wordt verleend.

De gehele toelicht van de staatssecretaris vindt u hier.


Schrijf u hier in voor onze fiscale nieuwsbrief

Blijf altijd up-to-date over fiscale ontwikkelingen: schrijf u hier in voor een van onze Tax nieuwsbrieven.