Minister gaat onder meer in op (geen) heffing bij uitdiensttreding, geldigheidsduur RVO-beschikking en geeft informatie over verdere planning
De minister van Economische Zaken heeft recentelijk een nadere toelichting gegeven op de voorgenomen fiscale regeling voor medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups. De regeling verlaagt de belastingdruk op aandelenopties en stelt het heffingsmoment uit tot verkoop van de aandelen. Hiermee beoogt het kabinet de toegang tot talent te verbeteren en het Nederlandse startup- en scale-up-ecosysteem te versterken.
Hoofdlijnen van de fiscale regeling zoals eerder gecommuniceerd
De minister licht nogmaals toe dat de voorgestelde fiscale regeling uit twee hoofdonderdelen bestaat. Ten eerste wordt de belastingheffing over inkomen uit aandelenopties verlaagd door de grondslag te versmallen tot 65%. Hierdoor wordt het effectieve belastingtarief ongeveer gelijk aan de heffing die zou gelden bij belasting in box 2. Ten tweede wordt het moment van belastingheffing uitgesteld tot uiterlijk het moment waarop de aandelen daadwerkelijk worden vervreemd. Dit voorkomt dat belasting moet worden betaald zonder dat er liquide middelen beschikbaar zijn. Zie over de fiscale regeling ook onze eerdere berichtgeving in EYFN 2025/23.
De minister merkt op dat de regeling is bedoeld voor werknemers van jonge, innovatieve bedrijven met een schaalbaar bedrijfsmodel waarvan de aandelen niet beursgenoteerd zijn. Voor de afbakening wordt aangesloten bij de nieuwe definitie van startups en scale-ups in het toekomstige box 3-stelsel. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal vaststellen of een onderneming aan deze definitie voldoet en verstrekt daarvoor beschikkingen met een geldigheidsduur van acht jaar, verlengbaar met periodes van vijf jaar. Zie over de nieuwe definitie ook onze eerdere berichtgeving in EYFN 2025/23.
Fiscale regeling meer in detail
De minister geeft aan dat bij de uitwerking van de regeling bijzondere situaties nader zijn uitgewerkt. Een belangrijke situatie betreft het uitdiensttreden van een werknemer. Volgens de bewindsman zal uitdiensttreding geen heffingsmoment vormen, omdat dit het doel van de regeling zou ondermijnen. Ook voor oud-werknemers vindt belastingheffing pas plaats bij vervreemding van de aandelen. De keuze om de regeling niet te beëindigen bij uitdiensttreding en te kiezen voor een internationaal aantrekkelijke regeling leidt volgens de minister wel tot risico’s in de controle en handhaving door de Belastingdienst. Ook zorgt deze keuze volgens hem mogelijk voor een beperkte aanvullende derving ten opzichte van het ingeboekte budget.
Een tweede bijzondere situatie doet zich volgens de minister voor als de geldigheidsduur afloopt van de beschikking die door RVO is afgegeven. Er is dan niet langer sprake van een startup of een scale-up voor het doeleinde van de fiscale regeling. De minister licht toe dat - voor zover (oud-) werknemers van startups en scale-ups opties of daaruit verkregen aandelen houden waarover op dat moment nog geen heffing heeft plaatsgevonden - wordt teruggevallen op de bestaande regeling voor aandelenopties in de loonheffingen. Dit betekent dat de belastingheffing uiterlijk plaatsvindt op het moment dat de aandelen verhandelbaar worden geacht te zijn. Dit kan een ander moment zijn dan de daadwerkelijke verkoop van de aandelen, maar nooit eerder dan het moment van het vervallen van de RVO-beschikking. De minister wijst erop dat in het geval van een beursgang ook niet langer sprake is van een startup of scaleup. De RVO-beschikking verliest zijn geldigheid door dit feit. De minister geeft aan dat de fiscale gevolgen gelijk zijn aan het verlopen van de geldigheidsduur. De werknemer behoudt het fiscale voordeel voor de periode dat sprake was van een startup of scale-up en dit voordeel wordt naar tijdgelang toegekend.
Verder geeft de minister aan dat de fiscale maatregel van toepassing zal zijn op alle aandelenopties die door startups en scale-ups zijn uitgegeven sinds de bekendmaking van de fiscale regeling in de Voorjaarsnota, dat wil zeggen: op of na 17 april 2025, en welke de loonsfeer nog niet hebben verlaten. Dit om ongewenst anticipatiegedrag te voorkomen. In het conceptwetsvoorstel zal worden opgenomen binnen welke termijn na inwerkingtreding van de regeling de startup of scale-up een RVO-beschikking dient aan te vragen om in aanmerking te komen voor deze terugwerkende kracht van de regeling.
Proces
Volgens de bewindsman wordt het wetsvoorstel momenteel verder uitgewerkt, onder meer op het gebied van antimisbruikbepalingen, de verhuizing van werknemers en/of de startup of scale-up naar het buitenland, de samenloop met de lucratiefbelangregeling en de eventuele budgettaire effecten hiervan. Ook worden mogelijke staatssteunaspecten onderzocht.
De minister geeft aan dat het conceptwetsvoorstel naar verwachting in januari 2026 ter internetconsultatie wordt aangeboden. Het kabinet is voornemens het wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2026 als zelfstandig wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen, met als doel inwerkingtreding per 1 januari 2027.
De gehele Kamerbrief vindt u hier.